Het eergevoel van de bad nigger

FOX BUTTERFIELD: The Bosket family and the American tradition of violence

389 blz., geïll., Knopf 1995, ƒ 55,55

In het voorjaar van 1978 werden in de subway van New York twee mensen doodgeschoten. De dader bleek een zwarte crimineel van net vijftien jaar, Willie Bosket. Hij had geen duidelijk motief, behalve de onweerstaanbare drang iemand van het leven te beroven.

De woede over het voorval was zo groot dat de deelstaat kort daarna een wet aannam die bepaalde dat jonge moordenaars vanaf hun dertiende jaar als volwassenen moesten worden berecht. De wet kreeg de naam van Willie Bosket, maar op hemzelf was ze nog niet van toepassing. Op zijn 21ste kwam hij weer vrij. Lang zou die vrijheid evenwel niet duren. Nog geen twee maanden later verscheen hij opnieuw voor de rechter, ditmaal omdat hij een buurman zou hebben bedreigd. Terug in de gevangenis viel hij met een mes een bewaarder aan en werd tot levenslang veroordeeld. Het scheen Bosket volstrekt koud te laten, maar te worden beschouwd als een ontembare bad nigger vond hij een hoge eer. Iedere kans om nieuw geweld te plegen greep hij onmiddellijk aan. Hij werd weggestopt in een zwaarbewaakte isoleercel, vastgeketend aan handen en voeten, en roept daardoor herinneringen op aan dr. Hannibal Lecter uit de film Silence of the lambs.

Mad-dog killer

Terwijl burgemeester Koch hem een 'mad-dog killer' noemde betitelde Willie zichzelf als een 'monster dat door het systeem is voortgebracht'. Wat hij precies bedoelde vond The New York Times intrigerend genoeg om er een verslaggever op te zetten: Fox Butterfield. Nu is Butterfield geen doorsnee-journalist. Hij was jarenlang correspondent voor de krant in het Verre Oosten en publiceerde over China het veelgeprezen boek Alive in the bitter sea. Na zijn terugkeer op de burelen in New York legde hij zich toe op diepteverslagen over misdaad en misdadigers. Toenemende criminaliteit was in de jaren tachtig tenslotte het allesoverheersende thema in de Verenigde Staten. Willie Bosket leek wel een heel extreem voorbeeld van de gevreesde random violence, van het schier onbeheersbare zwarte geweld.

Butterfield toog naar de gevangenis om uit de mond van de moordenaar diens levensverhaal op te tekenen. Dat bleek geen geringe opgave, want veel van Boskets achtergrond was in duister gehuld. Maar Butterfield zette door en zou gedurende vijf jaar regelmatig met Willie praten. Hij deed echter nog veel meer dan dat, ging op onderzoek uit en probeerde de geschiedenis van heel de familie Bosket te ontrafelen, van het begin in Zuid-Carolina af tot en met de ondergang van de jongste telg in Harlem. Niet het systeem maar de geschiedenis bracht volgens Butterfield het monster Willie voort.

Butterfield schreef zijn dikwijls verbijsterende boek met een duidelijk motief. In de epiloog uit hij zijn diepe bezorgdheid over Amerika dat langzamerhand verandert in één grote gevangenis. Halverwege de jaren negentig zaten er bijna anderhalf miljoen mensen achter de tralies. Ze kosten de gemeenschap jaarlijks 50 miljard dollar, en dat bedrag stijgt nog steeds. Californië zag zich daardoor al gedwongen flink in de onderwijsbegroting te snijden; andere staten maken daar eveneens aanstalten toe. Volgens Butterfield is het goeddeels weggegooid geld. De veiligheid van de burgers wordt er niet door bevorderd, integendeel. Bijna tachtig procent van de steeds jongere delinquenten wordt opnieuw veroordeeld, vaak voor ernstiger vergrijpen dan hun eerste.

Dat weerhoudt politici er niet van, op nog meer cellen aan te dringen. Wie dat niet doet kan zijn loopbaan wel vergeten; tough is het wachtwoord bij zowel Democraten als Republikeinen. Het Amerikaanse gevangeniswezen is dan ook een spectaculaire groeisector geworden. Butterfield betreurt deze ontwikkeling en bepleit een andere aanpak. Liever legt hij de nadruk op de verantwoordelijkheid van ouders en onderwijskrachten. Onderzoek zou hebben uitgewezen dat verreweg de meeste criminelen al op heel jeugdige leeftijd het slechte pad opgaan. Daarom is het zaak kinderen met onaangepast en agressief gedrag meteen op te vangen en zorgvuldig te begeleiden. Ouders moet (opnieuw) worden geleerd hun kinderen van de vroege ochtend tot laat in de avond in het oog te houden. Discipline maar bovenal liefde en aandacht zijn essentieel, en in navolging van sommige deskundigen stelt Butterfield zelfs voor om net als rijbewijzen een soort ouderschapsbewijzen af te geven.

Even belangrijk acht hij een herbezinning op de gedachte (of traditie) dat respect met geweld kan worden afgedwongen. Wat we nodig hebben, zo schrijft hij, is een omslag in ons denken, een verandering die thuis begint en conservatief noch progressief van aard is: “Respect komt van binnenuit, niet door ons druk te maken om de vraag hoe anderen ons behandelen”.

Slavernij

Deze les trekt hij uit de geschiedenis van de Boskets, een geschiedenis die begint in Zuid-Carolina ten tijde van de slavernij. Butterfield beschrijft indringend de gewelddadigheid die van meet af in deze deelstaat en heel de zuidelijke regio heerste. Het echte wilde westen was het Amerikaanse zuiden. Daar knalden de pistolen en werden messen getrokken om zowat elk wissewasje waarbij het begrip honor op het spel stond. Wie zich in zijn eer voelde aangetast greep meteen naar de wapens. Van de zuidelijke staten spande Zuid-Carolina wat geweld betreft de kroon, alle historische statistieken wijzen het volgens Butterfield uit. Negentiende-eeuwse bezoekers schrokken van de vele mannen aldaar die maar één oog hadden of op andere manieren mismaakt waren. Verwondingen en verminkingen leken eretekens, bewijs voor de eer die was gewroken volgens oeroude regels die de van oorsprong Schots-Ierse immigranten naar de Nieuwe Wereld hadden meegenomen en als planters handhaafden.

Ook op het collectieve vlak was eer sacraal. Daarom drong Zuid-Carolina als eerste aan op afscheiding van de Unie met haar verwerpelijke abolitionisten. King Cotton kon immers alleen met behulp van slaven aan de macht blijven. Waar blank geweld werd toegestaan en aangemoedigd, hoefden zwarten bij de rechtbank niet op clementie te rekenen. Voor ieder vergrijp, hoe gering ook, kregen ze zware straffen. Verhalen over gelukkige negers op florerende plantages waren wat Zuid-Carolina betreft meest pure verzinsels. Welvaart, die was er voor de blanken wel degelijk - de staat behoorde tot de rijkste van de VS - maar het lot van de zwarten was ronduit ellendig. De zweep knalde net zo hard als het pistool, en toen Emancipatie onafwendbaar bleek, zorgde de Ku Klux Klan ervoor dat de nu vrije negers in het gareel werden gehouden. Ook na de Burgeroorlog bleef de geweldscultus in stand. Blanke overheersers vochten weliswaar geen duels meer uit, de zwarte die zich trachtte te verheffen werd met harde hand ondergespit, desnoods door lynchpartijen.

In dit milieu probeerden de voorouders van Willie Bosket te overleven. De eerste Bosket wiens bestaan Butterfield weet te traceren, Aaron Bosket, hield zich als vrijgemaakte strikt aan de ongeschreven regels van de raciale etiquette. Als sharecropper werd hij uitgebuit en uitgezogen maar hij droeg zijn lot gelaten. Heel anders zou het Aarons zoon Pud vergaan. Lijdzaamheid was hem vreemd, en toen een blanke baas Pud met een zweep wilde tuchtigen, tuigde Pud op zijn beurt de blanke af. Hij ontpopte zich alras tot een bad nigger en was in feite de grondlegger van een criminele dynastie, waarbij 'crimineel' in een ruime context moet worden geplaatst. Wat eer voor de blanken was, zou aan het begin van deze eeuw respect voor Pud en zwarten als Pud worden. Dat is in elk geval de these van Butterfield. Als Pud zei: “Don't step on my reputation... I'm a man of respect”, bewees hij volgens Butterfield trouw aan de typisch zuidelijke erecode, aan een code die door de zwarten van de blanke meesters werd overgenomen en die door de omstandigheden waarin zij na de slavernij kwamen te verkeren een heel speciale, dreigende lading zou krijgen. Respect kon je afdwingen door geweld, maar wat eens middel was zou voor de Boskets uiteindelijk doel worden.

Net als veel andere zwarten migreerden zij naar het Beloofde Land boven de Mason-Dixon lijn. De geschiedenis van de familie verplaatste zich van Zuid-Carolina via Georgia naar de grote steden in het noorden. Sommigen wisten daar inderdaad een betere positie te verwerven, maar met de Boskets ging het spoedig bergafwaarts. De in eigen kring om zijn onvoorspelbaar agressieve gedrag bewonderde Pud werd, bewust of onbewust, een voorbeeld voor zijn mannelijke nakomelingen. Of eigenlijk nog meer dan dat. Over Willie schrijft Butterfield: “He could feel the burden of his family's legendary past weighing on him like an evil talisman.” (Overigens hanteert hij een uiterst effectieve, nuchtere stijl).

In de binnenstad werd de straat het domein van de Boskets. Willies vader Butch vestigde er vanaf zijn vroegste jeugd een reputatie van bad, zelfs crazy nigger. Al in een korte broek beroofde hij voorbijgangers. Butterfield onderstreept dat het gedrag van Butch en Willie, die de sporen van zijn afwezige vader drukte, niet het gevolg was van een verziekte stadscultuur. Zij grepen veeleer terug naar beproefde zuidelijke recepten waarin, zoals gezegd, geweld centraal stond. Door gebrek aan scholing en behoorlijke behuizing, door raciale achterstelling en gebroken gezinnen kwamen zwarten als de Boskets terecht in een geweldsspiraal die van beroving tot moord zou leiden. “Niets scheen Willie te raken omdat hij niets te verliezen had”, schrijft Butterfield. Maar misschien is dat toch niet helemaal waar. Want tegelijk laat hij hem vanuit zijn cel zeggen: “Als ik kon, zou ik de vlag op het Witte Huis onderzeiken.” Amerika laat hem dus niet onverschillig, hij haat het land dat hem gemaakt zou hebben tot wie hij is. In de gevangenis begon hij de geschriften van Malcolm X te lezen, en beweerde vervolgens dat hij nooit vrij was geweest maar altijd in het systeem had vastgezeten.

Zieligheid

Tot op zekere hoogte gaat Butterfield met hem mee, maar daar wil niet mee gezegd zijn dat All God's children een relaas is waarvan de progressieve zieligheid afdruipt. De auteur is even nuchter als vindingrijk in zijn research en dankzij hem volgen we de Boskets op hun desperate tocht langs opvangtehuizen, jeugdinternaten, tuchtscholen en inrichtingen, langs honderden vaak goedwillende hulpverleners en psychiaters, langs rechtbanken en uiteindelijk naar de cel. Een regelrecht Amerikaans drama dat Butterfield briljant regisseert.

Zwarte leiders schuiven misschien vanzelfsprekend elk probleem af op de erfenis van de slavernij, zoals volgens Butterfield blank Amerika te prompt huidkleur en criminaliteit op één lijn stelt. Pasklare antwoorden zijn er niet meer, maar het lijkt toch wel de weg van de minste weerstand om (getto)geweld dood te zwijgen of het zo voor te stellen dat alles reeds is geprobeerd en niets helpt. In de verkiezingscampagne die momenteel gaande is wordt hierover met geen woord gerept. Men spreekt ernstig over begrotingstekorten en niet te vergeten abortus. En vanzelfsprekend moeten er nieuwe gevangenissen worden gebouwd. In plaats van naar deze retoriek te luisteren, zou men beter All God's children kunnen lezen. Niet om alles te begrijpen en alles te vergeven, maar om mededogen niet geheel uit te schakelen en tenminste iets te vatten van de geschiedenis die wandelende tijdbommen als de Boskets heeft gebaard.

Dan nog blijft met betrekking tot hen de vraag: waar eindigt de geschiedenis en beginnen bijvoorbeeld de genen? En dan nog zou men van Butterfield een even prachtig boek kunnen verlangen over de slachtoffers van het traditionele geweld, want niet alle daders zijn slachtoffers. Zelfs in Amerika niet.