Gorcum en Haarlem

Wat zal er nu in en met Haarlem gebeuren? De CID in Haarlem is het Sodom en Gomorra van de Nederlandse rechtsstaat, heeft de heer Boris Dittrich van D66 eergisteren in de Kamer uitgeroepen. Zo'n opmerking maak je niet, die roep je uit, en in een uitroep gaat de nuance verloren. De afkortingen en andere franje, de naam van de afgevaardigde worden vergeten. Alleen de kern blijft hangen: Haarlem is het Sodom en Gomorra van de Nederlandse rechtsstaat. Ik voorspel een grote toeloop van toeristen in deze Paasdagen.

In Genesis 18 en 19 staat wat er met het echte Sodom en Gomorra is gebeurd. Eerst is er een gesprek tussen de Heer en Abraham, een discussie zouden we nu zeggen. De Heer is van mening dat de steden moeten worden verwoest. Abraham maakt tegenwerpingen: 'Zult Gij dan de rechtvaardige met de goddeloze verdelgen? Misschien zullen er vijftig rechtvaardigen in de stad zijn; zult Gij haar dan verdelgen, en aan de plaats geen vergiffenis schenken ter wile van de vijftig rechtvaardigen die in haar zijn?' De Heer laat zich overtuigen: 'Indien Ik te Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal ik de hele plaats vergiffenis schenken.'

Dan ontwikkelt het gesprek tussen de Heer en Abraham zich als de voorloper van de Achterkant van het gelijk. Ik vind dat Abraham gelijk geeft. Waarom juist vijftig rechtvaardigen? Verdienen veertig het dan wel, ondanks hun rechtvaardigheid het slachtoffer te worden? In de loop van het gesprek wordt op aandrang van Abraham het aantal steeds kleiner maar tenslotte niet minder dan tien. Dan, in Genesis 19 komen de twee engelen tot Lot om hem te zeggen dat hij zo vlug mogelijk moet vertrekken. Lot talmt. De engelen waarschuwen: 'Vlucht om uws levens wil; zie niet om en sta nergens in de Streek stil; vlucht naar het gebergte opdat gij niet verdelgd wordt.' Lot maakt weer tegenwerpingen, wil niet naar het gebergte, is eigenlijk al een modern, eigenwijs mens. Vooral de discussie, eigenlijk dat gezanik van Lot maakt het tot een spannend verhaal.

En nu komt de passage waar het om gaat: 'Toen liet de Here zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen, van de Here, uit de hemel; en hij keerde de steden om, benevens de gehele streek, met al de inwoners der steden en het gewas van de aardbodem. Maar Lots vrouw, die achter hem liep, zag om, en werd een zoutpilaar.' (Ik gebruik de vertaling van 1951 in opdracht van het Nederlandse Bijbelgenootschap).

Het is ongelofelijk. Welk Nederlands kind van welke kerk of overtuiging ook, zal zich niet kunnen herinneren dat de vrouw van Lot in een zoutpilaar veranderde? Een meisje bij mij in de klas veronderstelde dat het weleens een groot zoutvaatje zou kunnen zijn, langwerpig, wit en met gaatjes. En wat moest je je voorstellen bij een regen van zwavel en vuur en het omkeren der steden, en het verdelgen opzichzelf? Dat waren toen de vragen. 'Sta daar niet als een zoutpilaar!' Bijna iedereen weet nog wel wat ermee wordt bedoeld.

Dit rapport van de Rijksrecherche over het CID in Haarlem maakt veel los. Ik heb de indruk dat ze het nog niet goed beseffen, maar het zou weleens kunnen zijn dat de juggernaut van het schandaal daar zijn opwachting komt maken. Met dat afgodsbeeld valt niet te onderhandelen over aantallen rechtvaardigen.

Mijn gedachten gaan terug naar de radicaalste magistraat van Nederland, burgemeester Van Rappard van Gorcum. Vergeefs heeft hij geprobeerd het hoofd te bieden aan de revolutie van de jaren zestig. Over zijn regime gingen wilde geruchten. Wij, nog een verslaggever en ik, werden erheen gestuurd om een reportage te maken. Na een poosje reden we de buitenwijken van Gorcum binnen. Ik verminderde de snelheid tot stapvoets. 'Nou', zei hij - dat was zijn eerste waarneming - 'er is hier toch nog van alles te krijgen.' We naderden het centrum en merkten dat de burgemeester met éénrichtingborden het verkeer aan banden had gelegd. We moesten door een labyrint van het soort dat later door Max van den Berg in Groningen is aangelegd.

Precies op tijd maakten we onze opwachting bij de heer Van Rappard, een grijze, rijzige man met een scherp gesneden gezicht en overeenkomstige wijze van uitdrukken. Het gesprek vond plaats in de raadszaal. We kregen koffie, en toen, bij wijze van inleiding, zei onze gastheer tegen mij (omdat ik de oudste was): 'Meneer Montag, kijkt u eens om!'

Ik deed wat me werd gezegd en zag een groot schilderij, voorstellend het ogenblik voorafgaande aan een onthoofding.

'Wat ziet u daar, meneer Montag?'

'Het lijkt me een onthoofding, burgemeester.'

'Neeneenee, dat bedoel ik niet! Kijkt u eens goed naar het gezicht van die vent die met z'n kop op het blok ligt! Wat ziet u?'

Ik keek nog eens goed. 'Hm, hij ziet er wat bang uit.'

'Vergist! Meneer Montag! Vergist! Die kerel kijkt berustend. Die wist nog wat gezag was. Die begreep dat z'n kop eraf moest!'

Het bleek een goede inleiding tot het interview te zijn. De gezagsverhoudingen in Nederland werden tot in de finesse onder de loep genomen. Als de tekenen de burgemeester niet bedrogen, en bedriegen liet hij zich niet, zou het met dit land gestaag bergaf gaan.

Van Gorcum tot Haarlem. Het is maar een paar jaar, maar een reuzenschrede in de geschiedenis. Juist terwijl ik dit stukje eindig komt er een detachement van het Leger des Heils de Dam opgemarcheerd. Wat moeten we daaruit afleiden?

    • S. Montag