De noodzaak van weetjes

In de Kanaaltunnel is men geregeld op vossenjacht om de Engelsen gerust te stellen, bang als die zijn dat hondsdolheid hun land kan binnenkomen en hun dierbare paarden en honden daarmee zullen worden besmet. Wie vanaf het vasteland naar Engeland, Schotland of Wales verhuist en zijn hond wil meenemen, moet het dier lange tijd in quarantaine achterlaten. Vanaf het continent kun je allerlei enge ziektes verwachten. Het is de ironie van het leven zelf dat het continent nu de grenzen moet sluiten voor Engels vee uit angst voor besmetting met een minstens even ernstige ziekte - in de VS bestaat voor dit vee overigens al sinds 1987 een invoerverbod.

Het is jammer voor Engeland dat het eerste vermoeden van een verband tussen ziekte van koe en mens al in 1992 ontstond, dus lang voor de opening van de tunnel, anders had men misschien het continentale vee nog wel als bron gezien. Die tunnel is immers een inbreuk op eeuwenlang prettig isolement met zee rondom als bescherming tegen alles wat lijkt op vreemd volk en d'r lui have.

Nu wil ik het helemaal niet over Engeland en zijn koeien hebben, maar over het nationale kennisdebat dat vorige week van start is gegaan. En bovenstaande gedachtengang kan ik daar wel aardig bij gebruiken.

Ik ben namelijk bang dat een deel van het debat in beslag zal worden genomen door de heilloze discussie over de vermeende tegenstelling tussen kennis en weetjes, waarbij het eerste prachtig en het tweede inferieur zou zijn, Inzicht in verbanden tegenover losse feitenkennis. Maar die tegenstelling bestaat natuurlijk helemaal niet; het één - kennis - omvat het ander - de weetjes.

Zonder feitenkennis is geen inzicht mogelijk, want waartussen zouden die verbanden dan moeten zitten? Om tot de redenering te komen waarmee ik begon had ik op z'n minst enkele weetjes nodig. Die over de vossenjacht, de quarantaine-eis, de Britse achterdocht jegens foreigners en enkele jaartallen. Door de berichten over de gekke-koeienziekte werden ze geactualiseerd en kon ik een verbandje leggen.

Het idee dat het bij inzicht en feitenkennis zou gaan om een tegenstelling heeft belangrijke gevolgen gehad voor het funderend onderwijs, waar men het 'hoe' als belangrijker is gaan zien dan het 'wat'. Het is niet zo belangrijk om leerlingen allerlei feiten te leren, als wel vaardigheden waarmee zij kennis kunnen vergaren op momenten dat dat opportuun is. Men zou hen een 'lerende attitude' moeten bijbrengen.

Dat wordt dan nader gemotiveerd met de verwijzing naar de moderne, snel veranderende enzovoort samenleving waarin 'kennis snel veroudert'. Dat laatste lijkt me een teken van de overheersing van het bèta-denken. Exacte wetenschappen zijn in hoge mate cumulatief, men komt steeds 'verder' en eerdere kennis voldoet dan niet meer. Er is over de wereld en het leven daarin echter veel meer te weten dan datgene waar de exacte wetenschappen zich mee bezighouden. Alfa- en gamma-wetenschappen zijn slechts in beperkte mate cumulatief. Theorieën komen, gaan en keren in andere gedaanten terug. Oude kennis bestaat daar eigenlijk niet. Voor iemand die nadenkt, is alles wel eens ergens bruikbaar. Je kunt nooit genoeg weten, feitenkennis is oneindig. Hoe meer je weet, hoe beter zicht je ook hebt op wat je nog niet weet, op waar de gaten zitten. Daar kun je dan met een lerende atitude naar op zoek gaan. Maar als je weinig weet, wanneer weet je dan waarnaar je waar op zoek moet gaan?

In een heel klein artikel in The New York Times geeft de Engelsman Colin Spencer naar aanleiding van de koeienziekte een korte analyse van de rol die rundvlees - “the red blood and muscle power” - speelt in het Britse zielenleven. Hij heeft het zonder enige toelichting onder meer over John Bull, Kelten, Romeinse Rijk, Reformatie, Henri V, Shakespeare, Hertog van Marlborough en Dickens. Als je daar geen weet van hebt, kun je zijn redenering niet volgen. En wat moet je dan met het moderne motto: “Wat je niet weet kun je opzoeken?” Je kunt er inderdaad de encyclopedie naast nemen, in boekvorm of elektronisch. Maar wat een arbeidsintensief gepruts voor een stukje dat je toevallig onder ogen krijgt! Hoeveel makkelijker heeft iemand het die in zijn jonge jaren, toen de hersenen nog alles wilden opnemen wat naar binnen werd geschoven, is volgestopt met weetjes, zodat je associaties van de schrijver zo ongeveer weet te plaatsen. Je hoeft zo'n stukje natuurlijk helemaal niet te lezen. Dus als je het niet begrijpt kun je het laten liggen, maar wel jammer, want het is verhelderend.

Bovendien, en dat is essentiëler, hoe meer je weet, hoe makkelijker de samenhangen oplichten. Nu zult u misschien tegenwerpen: “Maar ik ken toch voldoende mensen, die heel veel weten, maar niets begrijpen”. En inderdaad, dat doet zich geregeld voor. Maar dat komt niet door het tekortschieten van de feitenkennis, maar van zo iemands denkvermogen. Zo is dat en niet anders.

Een wezenlijk aspect van intelligentie is dat iemand verbanden weet te leggen tussen feiten en factoren, doordat men door de uiterlijke verschijningsvorm heen de dieper liggende, abstractere overeenkomsten kan zien. De mate waarin iemand dat kan heeft te maken met het functioneren van zijn hersenen. Het is niet te leren. Hooguit kan men, door de groepering waarin leerstof wordt aangeboden, het zien van samenhangen vergemakkelijken. Maar begrip, inzicht, integratie vindt plaats in het hoofd. Ieder moet de ketting van kennis zelf rijgen. Alleen de kralen van weetjes krijg je aangereikt. Sommige mensen kunnen daarbij alleen overweg met grote kralen en wijde gaten. Anderen kunnen priegelen met kleintjes, waarbij je een loep nodig hebt. En de grote groep zit daar ergens tussenin.

Daar komt nog bij dat je leerlingen van de basisschool juist zo'n groot genoegen doet met weetjes. Zo rond een jaar of zeven komt een kind definitief los van een egocentrische denkwereld en raakt gefascineerd door de werkelijkheid, door het 'echte'. Tegelijkertijd ontstaat door dit nieuwe realisme het besef dat het in de wereld nog maar een nieuwkomer is, die vergeleken met volwassenen nog heel veel moet leren. Bij tijd en wijle een verlammend gevoel. Het is belangrijk om het kinderlijk competitiegevoel op peil te houden. Weetjes helpen daarbij. Het is buitengewoon prettig om als kind tegen je vader te kunnen zeggen: “Weet jij niet eens dat...?” Dus geef ze die kralen. Bij dozen vol. Op den duur maken ze er zelf wel kettingen van.