Bredius

Dr. A.B. de Vries' klassieke Vermeer-studie uit 1939 is een curieus collectors item. De eerste druk is jarenlang antiquarisch moeilijker te verkrijgen geweest dan de naoorlogse herziene uitgave, misschien wel doordat de auteur (ik speculeer nu maar) in 1945 zoveel mogelijk exemplaren ervan zelf had opgekocht.

In dat jaar immers legde Han van Meegeren een verklaring af die de hele kunstwereld in rep en roep bracht en het boek van De Vries sterk devalueerde. Van Meegeren bekende, althans beweerde de maker te zijn van het aan Vermeer toegeschreven schilderij de Emmausgangers, dat enkele jaren vóór de oorlog 'ergens in Italië' zou zijn opgedoken. De Vries, die ironisch genoeg op dat moment de leiding had over de 'recuperatie' van de door de Duitsers gestolen Nederlandse kunstschatten en nog niet benoemd was tot directeur van het Mauritshuis, stond in zijn hemd, omdat hij het in 1937 ontdekte schilderij voor een echte Vermeer had gehouden.

De Vries was niet de enige Vermeer-deskundige die erin gevlogen was, vrijwel alle Nederlandse kunsthistorici van naam hadden het gedaan. Het was misschien een troost dat er geen kunstkenner bestond die zich nooit eens in de vingers had gesneden, maar dat hielp De Vries niet veel, want in zijn geval stond het voor altijd gedrukt (A.B. de Vries, Jan Vermeer van Delft, J.M. Meulenhoff Amsterdam, 1939).

Met ondubbelzinnige zekerheid had De Vries de Emmausgangers in zijn boek als een meesterwerk betiteld. “De Emmausgangers vertolkt een idee en heeft stijl”. De 'vondst' - waarover alle geleerden in binnen- en buitenland in de opperste vervoering waren geraakt - betekende volgens De Vries niet alleen een vermeerdering van Vermeers werk, “maar tevens een verrijking, omdat het een tot dusver onbekende noot doet opklinken”. De verwachting was uitgekomen dat Vermeer ook religieuze voorstellingen had geschilderd (wat volgens de kenners zo moest zijn, omdat Vermeer in zijn jeugd de invloed van Caravaggio had ondergaan). Vermeer was, aldus De Vries, nu ook verschenen “als een vertolker van een aangrijpend gebeuren”.

In de naoorlogse heruitgave van De Vries' boek (ook wel genoemd: tweede herziene en verminderde druk) was de lof op de Emmausgangers uiteraard geëlimineerd (zoals het schilderstuk zelf in museum Boymans onmiddellijk naar de kelders was verbannen), maar de smet op zijn reputatie ging er nooit helemaal meer uit. De Vries zou, met al zijn vakgenoten, voor altijd het slachtoffer van Van Meegerens list en bedrog blijven.

Dat was allemaal de schuld van dr. Abraham Bredius, maakten de geblameerde kunstkenners zichzelf wijs. Doordat de grote Bredius in 1937, het jaar van de 'vondst', zijn zegen aan de Emmausgangers had gegeven, was de Vermeer-carroussel gaan draaien. Tegen zijn kemakeur was geen enkele twijfel opgewassen. Achterop een foto van het schilderij had Bredius enkele pauselijke regels geschreven die van zijn geloof in de echtheid van de Emmausgangers getuigden en daarmee was voor de hele kunstwereld de zaak beslist. Der Pabst hat gesprochen, schreef iemand later, wat zoveel betekende als: daar waagde niemand tegen in te gaan.

Over het raadsel van Bredius' echtheidsverklaring is de tegenwoordige kunstwereld nog steeds niet helemaal uitgepraat. Hoe kon zo'n internationale grootheid in de val van Van Meegeren zijn getrapt en zijn reputatie aan een vondst hebben verbonden, zonder de antecedenten daarvan te kennen? Bredius had nooit een antecedentenonderzoek geëist. Geld kon voor hem geen rol gespeeld hebben (hoewel hij voor de echtheidsverklaring een honorarium vroeg van zesduizend gulden), want de in Monaco wonende kunstpaus was verre van behoeftig. Bredius had 'oud' geld van zijn familie. De ex-directeur van het Mauritshuis (een van de voorgangers van A.B. de Vries) was de hoogste autoriteit op het gebied van zeventiende-eeuwse schilderkunst. Ook al was zijn reputatie in 1937 in wezen al over haar hoogtepunt heen, op het gebied van echtheidsverklaringen was het woord van Bredius nog onverminderd wet. Het was dus niet zo vreemd dat de andere Vermeer-kenners, onder wie de directeuren van de belangrijkste musea in Nederland, in '37 het oordeel van Bredius volgden en in koor de nieuwe 'Vermeer' toejuichten. Als de Paus zich vergist, moeten alle kardinalen eraan geloven.

De schilderijendeskundige M.M. van Dantzig heeft van dit collectieve napraten in zijn 'pictologische' studie over de Vermeerkwestie (1947) een aannemelijke psychologische verklaring gegeven. Van Dantzig behoorde tot de weinigen die in '38 (toen het schilderij in Boymans tentoongesteld werd) meteen aan vervalsing dachten, maar hij durfde er niet voor uit te komen. Hij durfde niet door de “intimiderende wijding” die om de presentatie hing. “Er was een stemming van eerbied voor het schilderij gewekt die objectieve beschouwing bemoeilijkte en er ontstond een toestand van beneveling die belette tot een nuchter en zakelijk onderzoek te komen”. Na de grote ontknoping (Van Meegerens 'bekentenis') doken alle kunstkenners die zich op de Emmausganger verkeken hadden, achter Bredius weg. De grote man zelf was intussen overleden, maar dat belette zijn nazeggers niet zich aan zijn grote naam vast te klampen.

Toch rook Bredius in 1937 al onraad. Dat blijkt uit zijn brieven die de kunsthistoricus Jim van der Meer Mohr enkele maanden geleden heeft opgedolven. Die brieven worden binnenkort in het Brediusmuseum aan de Lange Vijverberg in Den Haag geopenbaard. Een ervan laat de conclusie toe, dat Bredius in 1937 al niet meer in de echtheid van de Emmausgangers geloofde. Maar het raadsel-Bredius is daarmee niet opgelost. Nog vóór de grote Vermeer-tentoonstelling in '38 geloofde hij er al niet meer in, maar hij zette niet door en hield zijn twijfel voor zich. Nog niemand heeft daarvoor een bevredigende verklaring gevonden.