Huppert brengt Mary Stuart tot eeuwig leven

LONDEN, 5 APRIL. Ze meet nog geen een meter zestig. Ze weegt nog geen 52 kilo. Ze is niet meer dan een pluisje in die eindeloze kosmos van het Royal National Theatre in Londen. Toch reiken zelfs de kleinste gebaren van Isabelle Huppert tot aan de achterste rijen. Toch vult ze iedere scène van Schillers Mary Stuart met haar aanwezigheid.

Mary Stuart, Royal National Theatre, The Lyttelton, Londen. Res. 0044-171-9282252.

Maar wat bezielt een gevierde Franse filmactrice om zich in een Engelse toneeluitvoering van een Duitse tragedie te storten? Om het meanderende, wildstromende Frans door het taalkundige kanalenstelsel van het Engels te vervangen?

Ze is niet eens te verstaan, mokken Britse critici. Ze snatert. Niet alleen woorden als 'ope' en 'ate' zijn door haar onthoofd doordat ze de 'h' inslikt, hele lettergrepen liquideert ze. Van die volle, rijke, beeldende zinnen van Schiller, in een prachtige, eigentijdse vertaling van Jeremy Sams, maakt La Huppert een goedgevulde woordensoep. “Wat de grootste attractie van deze productie leek te worden, is verreweg de zwakste plek,” verzucht The Daily Telegraph teleurgesteld. Zonder enige samenhang spuit de Franse filmster haar monologen, “alsof ze de tekst via een Linguaphone-talencursus heeft geleerd.” Die krant heeft gelijk. Zeker in de eerste scènes, als ze door regisseur Howard Davies tot een moordend spreektempo wordt gedwongen, is Huppert met geen mogelijkheid te volgen. Voor wie alleen maar luistert. Voor wie kijkt zal ze onweerstaanbaar zijn.

Haar historische geloofwaardigheid wordt door haar zware Franse accent zelfsnog vergroot. Opgevoed aan het Franse hof, is Mary Stuart in de negentien jaar van haar Engelse gevangenisschap nooit opgehouden met naar Frankrijk te verlangen. “Bon voyage,” zegt ze tegen de wolken in die laatste onbezorgde minuten voor de rampzalige confrontatie met koningin Elizabeth, haar nicht en rivale en absolute tegenvoeter. “Doe de groeten aan mijn vaderland.”

Huppert zou zelfs een stomme Mary Stuart tot leven wekken. Ze spreekt met elke vezel van haar frêle lichaam. Of ze nu als een jong meisje om haar min heen dartelt. Of als de enige echte vorstin een superieure knieval maakt voor koningin Elizabeth. Of als een vrij mens haar laatste biecht beleeft. De kracht, trots, woede, zinnelijkheid en uiteindelijk de innerlijke rust van Stuart, Huppert maakt ze voelbaar. Alleen de welsprekendheid waarmee Schiller zijn tragische heldin heeft uitgerust, vermaalt ze tussen de molenstenen van haar dictie.

Hupperts geworstel met de woorden benadrukt ook het isolement van Mary Stuart. Niet alleen is ze van haar titel en haar vrijheid beroofd maar ook van haar taal. Haar onstuitbare drang om zich te uiten wordt er nog wanhopiger door.

De verschillende expressiemiddelen waarvan de twee rivalen zich bedienen, versterken ook de tegenstelling tussen beide hoofdfiguren. In het wit koningin Elizabeth, het veronachtzaamde bastaardkind: onaanraakbaar, berekenend, vol onderdrukte lust en protestant. In het zwart Mary Stuart, het gelukskind, door iedereen aanbeden: impulsief, sensueel, spetterend van levenslust en katholiek. Twee sterke vrouwen die zich overeind moeten houden in een mannenwereld. Twee koninginnen, die door het bloed, hun sekse en de eenzaamheid onverbiddellijk met elkaar verbonden zijn. Als Anna Massey in haar weergaloze vertolking van de Engelse vorstin regeert met een moordende stem en dodelijke blikken, is het niet meer dan passend dat Huppert triomfeert met iedere buiging van haar lijf.

Aan het eind van de dubbele tragedie schrijdt Stuart als een overwinnares naar het schavot waar ze terechtgesteld zal worden. Omringd door haar vrienden. Met licht gemoed en opgeheven hoofd. Koningin Elizabeth blijft eenzaam achter, als de gevangene van haar plicht en haar positie. Zij is het wier menselijkheid bij de executie om het leven komt. Stuart heeft het eeuwig leven. Als Huppert in een karmijnrode robe haar dood tegemoet treedt, schieten woorden te kort.