Het schrijftuig

Een hond zit achter een schrijfmachine. Je kunt aan zijn gezicht zien dat hij een binnenpretje heeft. Hij tikt: The quick brown dog jumps over the lazy fox. Het is een plaatje uit de New Yorker van een paar jaar geleden. Een paar jaar! Deze probeerzin voor schrijfmachines moet wel bijna zou oud zijn als de schrijfmachine zelf. Daarna heeft het nog een poos geduurd voor hij wereldbekend was geworden, nemen we voor het gemak aan een jaar of dertig.

Dan zou je toch denken dat in de eeuw daarop al tientallen keren iemand op het idee is gekomen de rollen van hond en vos te verwisselen. Blijkbaar niet. Er was een tekening in de New Yorker voor nodig om de hond eerherstel te bezorgen. En nu zal het niet lang meer duren voor geen mens nog begrijpt waarom een hond die zin tikt en wat daarbij te lachen valt. De schrijfmachine raakt buiten bedrijf of is dat al, en dat geldt dus ook voor de probeerzin.

Niemand komt op het idee, het toetsenbord van een beeldscherm op deze manier te proberen. Dat komt doordat vrijwel geen computergebruiker begrijpt hoe het komt dat na het aanslaan van een toets, bijvoorbeeld die van de x, er meteen een x op het scherm verschijnt. Zet je het apparaat aan dan begint dat eerst zichzelf te proberen, het maakt een zacht zoemend geluid, een geritsel, het laat weten dat de ROMS GOOD zijn en dan kan het gaan gebeuren. De schrijfmachine is een openbaar mechanisme; de computer heeft de allure van een toverdoos. Er komt meestal wel uit wat je bedoelt, maar hoe?

De schrijfmachineverzameling van W.F. Hermans bevat één elektronisch exemplaar, een Canon S-80. Hoe die daar verzeild is geraakt, is goed beschouwd een raadsel. Het is een hybridisch apparaat dat het openbare van de gewone schrijfmachine heeft verloren, inwendig wordt 'gestuurd', een display heeft waarop je een deel kunt zien van de zin die je onder handen hebt, en al een geheugentje van een A-viertje. Niet werkelijk bruikbaar, maar je kunt er bijvoorbeeld een vloek in opbergen aan het adres van de eventuele dief die dan de spreuk van zijn onheil ongeweten met zich meedraagt.

De elektronische machine, klein, vederlicht voor haar tijd, en met een bewonderenswaardig inwendige, werkt op negen volt, dat wil zeggen met vier batterijen D-formaat, en kan op thermisch papier schrijven. Je hebt dus niet eens een lint nodig. Op een faxrol schrijf je een boek. Toch is dit wonder eigenlijk een meelijwekkende schepping: een paar jaar het nieuwste snufje van de evolutie, toen ingehaald en inmiddels reddeloos verslagen door de laptop of notebook computer.

Ik heb twee elektronische machines, een Canon S-60 uit 1984 en een Typestar van een jaar of tien later. Deze Typestar is helemaal ontroerend: de laatste mutatie in een soort die het verloren gevecht om het voortbestaan voert. Je hebt allerlei fantastische functies die op een computer tot de gewone uitrusting horen. Er zitten vier lettertypen in die zich weer in twee formaten op papier laten zetten. Bij het grote formaat gaat dat niet in één keer. Eerst verschijnt de onderste helft, dan beweegt het printmechanisme zich terug, en weer heen om er de bovenkant op te zetten. Dat gaat gepaard met een hoog kreunend geluid alsof je bezig bent het ding te martelen. Wie de neiging heeft zich met een machine te vereenzelvigen, althans te denken dat hij iets voelt van wat zij ook zou voelen, wordt van het schrijven op de Typestar doodmoe, van het geluid alleen. Je wist dus al dat die het niet ver zou brengen.

Mechanische schrijfmachines worden verzameld om de openbaarheid van het vernuft dat eraan ten grondslag ligt. Elektronische zou je hoogstens kunnen verzamelen om hun curiositeit, omdat ze nu eenmaal een tussenfase in de evolutie zijn, en om hun vorm. De S-60 en de S-80 hebbben iets van de bedieningspanelen in een vroeg ruimteschip; met de Typestar zijn de ontwerpers niet in het reine kunnen komen. Waterhoofd, denk je bij de eerste aanblik. Toch zou ik mijn twee elektronische machines niet graag kwijtraken, maar dat komt door hun persoonlijke geschiedenis.

Zijn er verzamelaars van computers? W.F. Hermans had er een afkeer van. 'Meneer. Menéér. De computer is toch niet beter! Waarom zal ik me nu nog gaan uitsloven op zo'n lullig schermpje als ik al vijftig jaar heel eenvoudig op een schrijfmachine werk?' laat hij zich in een gesprek met Pieter Webeling van Trouw ontvallen. Inderdaad: dat is een vraag waarop je geen antwoord weet. Computers zou je alleen kunnen verzamelen om het 'design' zoals sommige mensen dat met strijkijzers doen.

Maar de computer, in het bijzonder de laptop of notebook heeft iets heel anders waardoor hij (als je het eenmaal weet) onweerstaanbaar is en dierbaar wordt. Het best kan ik het uitdrukken met de tekst van de advertentie die je vroeger vaak in kranten van het Wilde Westen tegenkwam: Have gun, will travel.

Een volgende keer hierover meer.

    • H.J.A. Hofland