Gezag

Nu Marleen Gorris' film Antonia een Oscar heeft gekregen, is weer eens gebleken dat critici reuze onhebbelijke mensen zijn. Niet alleen hebben ze ongelijk, maar ze geven het ook niet toe. Ze hangen de pias uit, doen lauw-lauw of pissen azijn - alles ten koste van anderen. Vrijblijvendheid is hun wapen, wrok hun drijfveer, frustratie en rancune zijn hun kapitaal. Ja, want behalve onaardig, zijn ze ongelukkig. Hoe armoedig is het immers niet om van het reageren op andermans werk je beroep te maken?

Over 'de' criticus schreef theatermaker Gerardjan Rijnders enkele jaren geleden het stuk Liefhebber. Het leverde een vermakelijke en ijzingwekkende voorstelling op. Op een bepaalde manier recht in de roos. Titus Muizelaar speelde een potloodventer in een regenjas, een criticus die scheldend en tierend thuiskwam van zijn werk en geen oog had voor het gruwelijke drama dat zich in zijn eigen gezin voltrok. De man, die geacht werd over zoiets gevoeligs als verbeelding te oordelen, was blind, doof en dom.

Het slechte imago van de beroepsbeoordelaar is onuitroeibaar. Vreemd genoeg kan hij zich het beste op de vlakte houden. Hij moet zorgen voor free publicity, zo niet juichend dan ten minste neutraal van toon en inhoud. Kleurloos desnoods, als er maar een kolommetje gevuld wordt, waar anders een advertentie had moeten staan om de kunstuiting onder de aandacht te brengen. Zo ziet men het graag, en niet alleen de betrokkenen. De recensent die op de uitnodiging van Sonja Barend in gaat om te komen praten met de bekritiseerde kunstenaar, is een onnozele hals. Zijn slachtoffer zal ondervinden hoe profijtelijk het Volksempfinden zijn positie maakt, terwijl de criticus, met dank voor zijn komst, wordt weggehoond. Dat wordt hij trouwens ook als hij niet komt.

Een criticus moet gezaghebbend maar niet bemind willen zijn. Hij maakt even onherroepelijk vijanden als vrienden, maar hij moet zich van geen van beiden iets aan willen trekken. Of de besproken kunstenaar tevreden of ontevreden is, moet hem koud laten. Ook of de kunstenaar 'iets heeft' aan zijn bespreking of 'er iets mee kan', is geen overweging waard. Net zo min als het van belang is dat zijn oordeel zogenaamd wordt gelogenstraft door een publiek succes, door het oordeel van zijn collega's, door een Oscar voor uitgerekend de film die hij gekraakt heeft. De criticus moet eigenwijs zijn tot de Vut erop volgt.

Omdat de meeste mensen beroepen hebben waarin juist de consensus telt en het bestaan daar in het algemeen wel bij vaart, kunnen ze zich niet voorstellen dat het voor een criticus anders ligt. Daarom zoeken ze de grond voor zijn oordeel altijd in alles behalve in het oordeel zelf. Men leest wat er niet staat, men leest niet wat er wel staat. Is de kritiek negatief dan heeft de schrijver een hekel aan de kunstenaar die hij bespreekt, is hij positief, dan bedrijft hij vriendjespolitiek.

Wat men niet beseft, is dat de criticus van nature een drang tot enthousiasme heeft. Hij beleeft liever een mooi dan een vervelend moment. Maar wat men nog minder beseft, is dat appeltjes schillen zich uitermate lastig laat combineren met het schrijven van kritieken. De rancuneuze schrijver snijdt altijd in zijn eigen vingers. Hij kan niet het achterste van zijn tong laten zien, hij kan niet stap voor stap en zo helder mogelijk laten zien hoe zijn oordeel tot stand komt. Hij vergroot de subjectiviteit van zijn visie - toch al een groot probleem voor iemand die wil overtuigen - onnodig en zijn betoog gaat hiaten vertonen. Hij gaat mist verspreiden en kromme redeneringen ophangen. Hij schrijft, kortom, een slecht stuk en ondermijnt daarmee, als hij dat vaker doet, zijn gezag. Dat is niet waar een criticus op uit is.

Zoals het kunstwerk het enige is waarop de kunstenaar kan worden aangesproken, zo is zijn kritiek het enige waarnaar de criticus, in geval van commentaar, moet verwijzen. Daarin staat wat hij vindt. Wat er niet in staat, vindt hij niet of is van geen belang.