Geen plaats voor geloof, hoop en liefde; Filosoof W.V. Quine's pleidooi voor de logica

W.V. Quine: From stimulus to science. Uitg. Harvard University Press, 114 blz. Prijs: ƒ 45,70.

'De mens is een chemisch proces als een ander', schreef W.F. Hermans. Moeten we in deze tijd, nu techniek en wetenschap ons leven beheersen, de waarheid onder ogen zien en deze uitspraak aanvaarden? Of is er nog plaats voor geloof, hoop en liefde?

De filosoof die deze vraag ontkennend beantwoordt, die meer dan enig ander de filosofie van onze door de techniek beheerste tijd heeft verwoord, is de in Nederland volslagen onbekende W.V. Quine, emeritus hoogleraar te Harvard. De gehele Amerikaanse wijsbegeerte, van Rorty tot Putnam, staat in zijn schaduw. Alleen Wittgenstein, Russell en Heidegger zijn in deze eeuw zijn gelijken. Quine, geboren in 1908, publiceert nog steeds en neemt actief deel aan internationale filosofische congressen. Beroemde filosofen die een gastcollege geven op Harvard beginnen te stotteren, als de gebogen Quine op de eerste rij plaatsneemt.

Onlangs verscheen van hem From Stimulus to Science, een synopsis van zijn gedachtengoed dat er tegelijk iets aan toevoegt en geschreven is in een Engels dat binnen de huidige filosofie niet geëvenaard wordt: kort, krachtig, tijdloos.

Uitgangspunt vormt voor Quine de logica. Alle zinvolle uitspraken over de werkelijkheid moeten in de taal van de logica kunnen worden uitgedrukt. Dit houdt in dat Quine alleen beweringen toestaat in deze trant: 'Er is een ding zodanig dat'. Alles wat we over de werkelijkheid kunnen zeggen, kan worden uitgedrukt in dergelijke eenvoudige zinnen, waarin alleen eigenschappen aan dingen worden toegeschreven. Niets meer, maar ook niets minder.

Door dit criterium streng toe te passen worden veel beweringen, zoals uitspraken over betekenis, zinledig. Zoals Wittgenstein ons opdraagt de ladder van ons af te gooien waarmee wij omhoog zijn geklommen naar het slot van zijn Tractatus Logico-Philopsophicus, dwingt Quine ons het denken te persen in het keurslijf van de inzichtelijke taal van de logica.

Nu kunnen in de taal van de logica zowel nonsens als natuurwetenschappelijke theorieën worden uitgedrukt. Hoe weten we welke theorie we moeten geloven? Het antwoord van Quine luidt dat de natuurwetenschappen ons zoveel beter dan enige andere theorie in staat stellen met de werkelijkheid om te gaan, dat wij geen keus hebben. We moeten de natuurwetenschappen als algemeen geldend aanvaarden en dan ook de consequenties daarvan voor onze overige overtuigingen. God bestaat niet, als de wetenschap hem niet nodig heeft.

In Quine's filosofie mag de mens alleen beschreven worden op grond van hoe hij zich gedraagt en hoe de neurofysiologische processen in zijn hersenen zich voltrekken. Voor Quine is de mens inderdaad 'een chemisch proces als een ander'. Geloof, hoop en liefde zijn waanvoorstellingen die voortkomen uit moedwil en misverstand. Het is niet Wittgenstein, maar Quine wiens werk de filosofische fundering vormt voor de levensvisie van W.F. Hermans.

Wittgenstein verschijnt in het werk van Hermans als de grondlegger van de 'Wiener Kreis'. Deze groep van wetenschappers en filosofen voerde in de jaren twintig en dertig van deze eeuw een kruistocht tegen zinloze filosofie. Hun voornaamste wapen was een stelling die zij ontleenden aan Wittgensteins Tractatus: de betekenis van een uitspraak is de manier waarop ze geverifiëerd kan worden. Dus een uitspraak als 'op de achterkant van de maan staat een Japanse magnolia in bloei' is zinvol, omdat we weten hoe we kunnen nagaan of die uitspraak waar of onwaar is. Uitspraken daarentegen als 'je mag je man niet slaan' of 'God bestaat' zijn zinloos, want we hebben geen flauw idee hoe we kunnen nagaan of ze waar zijn.

Toen Quine na zijn promotie aan het begin van de jaren dertig door Europa trok, zocht hij deze groep filosofen op. Hij raakte bevriend met hun belangrijkste woordvoerder, Rudolf Carnap, die hij in From Stimulus to Science de grootste filosoof van deze eeuw noemt. Terug op Harvard vertolkte hij in zijn colleges Carnaps leer dat alle zinvolle uitspraken òf tot de logica en de wiskunde behoren òf tot de empirische wetenschappen. Hermans voegt daar, zoals bekend, aan toe dat ethische en religieuze uitspraken zinloos zijn en alleen leiden tot chaos en nooit meer slapen.

In de jaren vijftig ging Quine nog een stap verder dan Carnap: ook de uitspraken van de logica en de wiskunde zijn empirisch. Wittgenstein daarentegen voelde zich niet thuis in deze door de techniek beheerste tijd. Wittgenstein was religieus en probeerde zijn leven zo ethisch mogelijk te leiden. In zijn latere werk wijst hij er voortdurend op, dat we niet moeten proberen de wetenschappelijke methode toe te passen in de wijsbegeerte. Een filosoof mag geen theorie ontwerpen, maar moet slechts nastreven een overzicht te verschaffen.

Deze afkeer van de wetenschappelijke methode in de wijsbegeerte is Quine vreemd. Door consequent de inzichten van de logica te verenigen met de overtuiging dat de natuurwetenschappen de waarheid op het spoor zijn, heeft Quine hele gebieden van de wijsbegeerte getransformeerd. Het is dus Quine en niet Wittgenstein die de idealen van de 'Wiener Kreis' uitdraagt.