Geen belangstelling voor een wonder; De verleidelijke engelen van Francisco de Goya

In 1814 veroordeelde de Spaanse koning Ferdinand VII zijn hofschilder Francisco de Goya tot de worgpaal wegens collaboratie met de Fransen, maar hij liet hem ongemoeid. Ondanks zijn sympathie voor de Fransen registreerde Goya haarscherp de gruwelijke werkelijkheid van de Franse invasie.

Zelfs de niet-gelovige bezoeker van het Madrileense kerkje 'Ermita de San Antonio de la Florida', wordt getroffen door het geringe gehalte aan devotie van de aanwezige interieur-schilderingen. De hoge, kale ruimte van de kerk wordt beheerst door deze stralende fresco's, wonderen van licht en kleur. Ze strekken zich uit over de binnenzijde van de koepel, over de gewelven en de muren, vanwaar ze de gehele ambiance lijken te beademen met het aanlokkelijkste saffraangeel, lavendelblauw, okerrood, wit en de meest geraffineerde tussentinten. Uit deze zee van kleur maken zich de vormen los van de meest zinnelijke engelen die ooit in een kerk zijn afgebeeld. Ze herinneren zowel aan danseressen in een negentiende-eeuwse Parijse tingel-tangel, als aan mollig uitgevallen haremdames.

De Spaanse hofschilder Francisco de Goya (1746-1828) kreeg in 1795 van Karel IV de opdracht voor de decoratie van het zojuist gebouwde kerkje. Goya gebruikte de koepel van de kerk voor zijn eigenzinnige vertolking van het mirakel van Sint Antonius van Padua. In dit verhaal staat een vermoorde man uit zijn graf op om te verklaren dat de vader van Sint Antonius ten onrechte van deze moord is beschuldigd. Goya verbeeldde met een goed gevoel voor trompe-l'oeil een ijzeren hek dat rond de koepel staat. Achter het hek verheft zich een glooiend landschap waarin zich een levendig gezelschap van burgers, randfiguren en adellijke types ophoudt. De belangstelling van de menigte voor het wonder lijkt niet diepgaand. Menigeen heeft de heilige en de uit de dood herrezen getuige à decharge die zit bij te komen op een krukje, al de rug toegekeerd.

In Goya's voorstelling van Antonius valt geen spatje moralisme te ontdekken. De kunstenaar die in de periode 1776-'92, ondermeer als ontwerper voor de Koninklijke Gobelinfabriek in Madrid werkte, lijkt de voorstelling van het mirakel te hebben opgevat als een ontwerp voor een zwierige gobelin op koepelformaat. Een groot aantal van Goya's in olieverf uitgevoerde gobelin-ontwerpen bevindt zich in de collectie van het Prado-museum in Madrid. Door hun kleurstelling en verfijnde vormgeving herinneren ze soms aan de Franse schilderkunst van het Rococo. Op Goya's gobelin-ontwerpen zie je vrouwen de was doen, kinderen soldaatje spelen en volwassenen die op stelten lopen, blindemannetje spelen of langs de oevers van de Manzanares een Spaanse versie van een reidans uitvoeren. In de voorstellingen figureren vaak majo's en maja's, de proletarische dandy's en de mooie, volkse meiden die er hun eigen klederdracht op nahielden.

De figuren op zijn gobelin-ontwerpen bevinden zich altijd in het landschap, waar hun gestalte zich aftekent tegen de achtergrond van de (wolken-)lucht. De bonte menigte in de koepelschildering heeft hij op dezelfde manier contour gegeven. Het vervaardigen van fresco's noopte hem uiteraard tot een andere schilderkunstige techniek. Goya blijkt bij het maken van de fresco's als een action-painter avant-la-date te hebben geopereerd.

Halfhartig

In het mirakel van Sint Antonius liet hij de achtergrond van bergen en wolkenluchten ontstaan door een bak water waarin hij kleuren had gemengd, over de grijze muren uit te gieten. Het nieuwe type engel dat Goya uitvond, moet haar verschijningsvorm voor een deel aan deze werkwijze te danken hebben gehad. Het ziet er naar uit dat de kunstenaar halfhartig poogde om de verleidelijke aardse wezens toch nog een tikje op hemelse boodschappers te laten lijken. De meest voor de hand liggende oplossing is in zo'n geval de toevoeging van vleugels. Goya paste hiervoor zichtbaar de techniek van de met water aangelengde druipende verf toe waardoor magnifieke, transparante verflagen ontstonden. De vormen die daaruit oprijzen, roepen zowel het beeld op van een fraai gedrapeerde lap van een ragfijne stof die vanaf de schouders omlaagvalt als van vleugels, toebehorend aan een exotische vogel.

Goya werkte drie jaar aan de fresco's in de Ermita de San Antonia de La Florida. In 1798 waren de kerkschilderingen met de profane inhoud voltooid. Voor zover bekend, was er geen gelovige die er protest tegen aantekende. Wat het begrip tolerantie gedurende een bepaald tijdperk in een bepaald land inhoudt, is moeilijk te achterhalen. De levensloop van de in het dorp Fuendetodos geboren en in Zaragoza opgegroeide zoon van een vergulder van altaarstukken doet vermoeden dat Goya zich veel, zo niet alles kon permitteren.

Door zijn liberale en verlichte ideeën was hij na de invasie van de Fransen in 1808, op de hand van de vijand. Intussen registreerde hij haarscherp de gruwelijke werkelijkheid van diezelfde invasie in zijn beroemd geworden grafiekserie De Verschrikkingen van de Oorlog, die één grote aanklacht vormen tegen zinloos geweld. Daarnaast maakte hij vrolijk portretten van vriend en vijand, variërend van Bonaparte tot de Hertog van Wellington. Goya deinsde er, in 1810, zelfs niet voor terug om in opdracht van de Fransen een selectie te maken uit de schilderijen van Spaanse kunstenaars als Vélasquez, Murillo Zurbarán en Ribera, bestemd voor transport naar Parijs. De schilderijen zijn nooit in Parijs aangekomen, niettemin ontving Goya een ridderorde van koning Joseph Bonaparte voor de moeite.

In 1814 zat de Spaanse koning Ferdinand VII weer op de troon. Hij verkondigde dat de collaborateur Goya de worgpaal verdiende. De vorst liet de kunstenaar echter ongemoeid. Officieel bleef Goya in dienst als hofschilder waarvoor hij een jaarsalaris ontving. Zijn honorarium werd zelfs doorbetaald nadat hij als hoogbejaarde in Bordeaux vrijwillig in ballingschap was gegaan.

Wulpse heks

Goya gaf ook als kunstenaar aan zijn tegenstrijdige impulsen toe waardoor zijn oeuvre ongewoon rijk is. Naar aanleiding van zijn 250ste verjaardag heeft het Prado tot begin juni een expositie aan hem gewijd die door deskundigen als haastwerk is bestempeld. Het is een feit dat het Prado begin februari volgens zijn eigen persdienst nog helemaal geen Goya-tentoonstelling op het progamma had staan. De enige informatie waarop de hand kon worden gelegd was een summier Spaanstalig foldertje over een Goya-congres in Málaga (van 10 tot 13 april)

Goya is overigens altijd in het Prado te zien. Tachtig schilderijen worden permanent geëxposeerd in dertien zalen. Je ziet er portretten van de Spaanse Bourbons die zo onthullend zijn dat je je afvraagt waarom ze ooit door de koning zijn geaccepteerd. Neem het familieportret van de als een schaap ogende koning Karel IV, in gezelschap van de wulpse heks met het spleetmondje, Koningin Maria Luisa, plus hun nakomelingen. Zagen ze niet hoe genadeloos ze door de schilder te kijk werden gezet? De verklaring die hiervoor wordt gegeven, is dat Goya hen in vergelijking met de werkelijkheid, geflatteerd heeft weergegeven.

In Goya's voorstellingen van de 'Naakte Maja' en de 'Geklede Maja' waarvoor de door Goya geliefde Hertogin van Alva model zou hebben gestaan, is de schoonheid van de afgebeelde vrouw opvallend. Toch zijn de schilderijen van deze Maja's niet mooier dan het genoemde doek van de koninklijke familie. Het is het oplichten van een paar rode toetsen in een haarlint boven een zwarte mantilla, of die nu gedragen wordt door koningin Maria Luisa of door een schone Maja, dat de schilderkunst van Goya zo onweerstaanbaar maakt. Goya's picturale vermogen is adembenemend.

Goya zou zich rond 1822 nog eenmaal aan muurschilderingen wagen. Dit keer waren het de muren van zijn eigen landhuis die hij beschilderde. Deze voorstellingen van duistere onderwerpen in donkere verftonen zijn de geschiedenis ingegaan als de Pinturas Negras - de Zwarte Schilderijen. Goya was in de zeventig, weduwnaar en al sinds een kwart eeuw volslagen doof toen hij het huis betrok. In de wandeling werd het 'Quinta del Sordo'- het Huis van de Dove - genoemd. Het lag op een heuvel die uitzicht bood op de oever van de Manzanares, op de Principe Pio waar Goya in 1910 de executie van de patriotten had geschilderd en op het Madrileense kerkje waar hij zijn engelen had vereeuwigd.

Hier begon hij tussen 1819 en 1823, naar wordt aangenomen, in olieverf nachtmerrieachtige voorstellingen te schilderen. Je ziet Saturnus die zijn kinderen uit elkaar trekt en opvreet alsof hij bezig is een kip in zijn bek te proppen, mannen die bezig zijn elkaar dood te slaan met een stok, en een hond die in het drijfzand aan het verdrinken is en waarvan alleen nog de kop zichtbaar. Deze tekent zich af in de enorme ruimte.

De laatste vier jaar van zijn leven bracht Goya door in Bordeaux waar hij op 16 april 1828 overleed en werd begraven. Het Quinta del Sordo werd afgebroken ten behoeve van een nieuw te bouwen station. De Zwarte Schilderijen werden op het nippertje gered door de Franse baron Emile d'Erlange die de muurschilderingen liet overbrengen op doek. Ze bevinden zich nu in Zaal LXVI in het Prado.

Het lijk van Goya keerde in 1888 terug uit Bordeaux maar zonder hoofd. Zijn schedel is nooit teruggevonden. Zijn tombe bevindt zich in het Madrileense kerkje onder zijn eigen engelen. Het adres is Glorieta de San Antonio de la Florida nummer vijf.