Een taal die iedereen verstaat

In De vliegende keeper, een bundel beschouwingen over poëzie (De Arbeiderspers, 1995), vertelt Herman de Coninck een veelzeggende anekdote. Twee vrienden van hem, de één milieu-inspecteur, de ander professor in de economie, bekvechten over de vraag of je in kwesties van milieubehoud de waarde van bijvoorbeeld een grizzlybeer in geld mag uitdrukken. Ja, zegt de economie-professor, door een prijskaartje aan die beer te hangen dwing je jezelf prioriteiten te stellen. Zo word je je bewust van de keuzes die je nu eenmaal moet maken. Nee! roept de milieu-deskundige, het is schandalig om op zoiets als een grizzlybeer een prijsje te plakken. Zo'n beer heeft een miljoen jaar evolutie gekost, zijn waarde is eenvoudig niet in geld uit te drukken.

De Conick schrijft dat hij een beetje argeloos trachtte te bemiddelen tussen zijn vrienden: 'het verwonderde me dat een econoom nog zeg maar vijf miljoen overhad voor een grizzly. Misschien is geld een soort Esperanto geworden voor ethiek, en als dat de enige taal is die verstaan wordt, dan vind ik dat er een aardige prijs is bedongen'. De milieuvriend werpt verontwaardigd tegen dat er vroeger dingen waren die onbetaalbaar werden geacht.

Die vriend heeft gelijk, vind ik, meer dan hijzelf lijkt te beseffen. Waarover niet goed te praten valt, wat onbetaalbaar of onbeschrijflijk heette, wordt tegenwoordig steeds vaker en steeds gretiger in geldbedragen uitgedrukt of, abstracter, in cijfers. Wat vaag en ongrijpbaar en onvergelijkbaar is, blijkt door getallen aanschouwelijk gemaakt te kunnen worden, en zo hanteerbaar.

Een mooi voorbeeld op het gebied van de ethiek is het programma dat de NCRV een paar jaar geleden uitzond, waarin het publiek op de tribune moest kiezen tussen twee medische gevallen. Er was maar geld om één patiënt te helpen, de ander werd aan zijn lot overgelaten. Er moest nu eenmaal een keuze gemaakt worden. De makers pareerden de kritiek op hun programma met dezelfde argumenten als de economie-vriend van De Coninck: door een prijskaartje aan een ethische kwestie te hangen, werd je gedwongen prioriteiten te stellen. Het was al te gemakkelijk om te roepen dat beide patiënten meteen geholpen dienden te worden, zo eenvoudig zat het leven niet in elkaar.

Wat ze niet beseften (of wilden beseffen, de motieven van televisiemakers moeten altijd gewantrouwd worden) was dat ze in wezen korte metten maakten met iedere inhoudelijk ethische discussie door economische argumenten de doorslag te laten geven. De bedragen die de morele afwegingen van de kijkers bepaalden, waren binnen de context van het programma net zo abstract als de argumenten van de medische deskundigen en ethici die erbij gehaald waren. Maar ze stonden voor het tegenovergestelde, namelijk iets heel concreets: de harde werkelijkheid.

Eenzelfde ongeduld met wat van nature vaag is en veel woorden vergt, vind je nu overal. Alleen feiten tellen in een tijd waarin de heersende obsessie het verlangen naar informatie is, het liefst zo hard mogelijke feiten. De televisie heeft de kijkcijfers als fetisj; iedereen weet wel dat die niet veel zeggen, dat ze niet anders zijn dan een soort steekproef, dat ze niemand vertellen wie er gekeken heeft en hoe er gekeken is, maar er loopt in Hilversum geen programmamaker meer rond die er oprecht zijn schouders over ophaalt. Natuurlijk drukken die cijfers een economisch belang uit - meer kijkers betekent meer adverteerders -, maar het eigenaardige is dat ze allang een veel grotere, bijna magische betekenis hebben gekregen; alsof er met kwantiteit toch wel zoiets als kwaliteit wordt uitgedrukt. Cijfers bieden houvast, over getallen kun je praten. Dat maakt ze uiteindelijk onweerstaanbaar, ook voor wie er diep in zijn hart niet in gelooft.

Ook de taal van kunst wordt beheerst door eenzelfde economisch Esperanto - of misschien liever: steno, want het is een soort snelschrift. Inhoudelijke discussies over kunstwerken zijn te vaag om in de media indruk te maken, ze geven geen enkel feitelijk houvast. De serieuze kunstkritiek lijkt niet langer in staat te communiceren met een groot publiek, dat zich inmiddels heeft getroost met concrete getallen: verkoopcijfers, bezoekersaantallen, puntenjurering, oplagecijfers, veilingprijzen, lijstnoteringen.

Het is een taal die de economische dimensie ruimschoots overstijgt, een taal die iedereen verstaat. In de Verenigde Staten publiceren de kranten (niet alleen de vakbladen) al jaren wekelijks een lijst met de bestbezochte films, waarbij als vanzelfsprekend de omzetcijfers worden vermeld. Die getallen drukken iets uit dat meer is dan geld alleen: ze staan in de krant, ze duiken op in de dagelijkse gesprekken, ze gaan iets betekenen. Niemand weet precies wat, maar net als bij De Conincks grizzlybeer krijgt de film met het grootste bedrag achter zijn titel als vanzelf een soort meerwaarde. Iedereen weet heus wel dat cijfers niets over kwaliteit zeggen, we weten dat geld of verkoopcijfers ons niets zeggen over de waarde van een kunstwerk. Toch duiken er in onze gesprekken over kunst meer en meer getallen op.

In het Cultureel Supplement van 8 maart stond een somberstemmend verhaal over de Nederlandse boekenwereld. Er worden teveel boeken geproduceerd en de boekhandel die al die titels niet meer kan verstouwen, gaat zijn aanbod beperken. Dat is economische noodzaak, maar opvallend was de harde taal die de directeur van de AKO-keten, Ton Dreesmann, sprak, alsof hij wraak moest nemen op al die onverkoopbare nomineetjes waarmee de jury van de gelijknamige prijs zijn winkels jaar in jaar uit had opgezadeld: 'Als mijn medewerkers hun hobby's willen uitleven doen ze dat maar in hun vrije tijd, maar niet bij mij in de winkel'. En: 'We gaan nu over op een klein assortiment met een hoge actualiteitswaarde; boeken waarvan de auteur net op televisie is geweest, waar iedereen over praat en waarvan we verwachten dat ze dus voor een hoge omzetsnelheid zullen zorgen. Uitgevers moeten vooral niet meer denken dat ze ons wat het assortiment betreft de wet kunnen voorschrijven - sterker nog, ze zullen zich bij de AKO-winkels naar binnen moeten vechten. Dat kunnen ze doen door hoge kortingen te geven, door extra te betalen als ze hun boeken op een goede plaats willen hebben, en duidelijk te maken dat ze flink wat geld en aandacht aan publiciteit zullen gaan besteden'.

Ik weet ook wel, hier is geen literair criticus maar een boekverkoper aan het woord. Hij moet wel, het is zijn vak, en niemand heeft er iets aan als hij failliet gaat. Maar de taal die hij spreekt, is een zuiver economische, die alleen nog maar naar zichzelf verwijst. De uitgever drukt zijn geloof in een bepaald boek uit in geld, voor wat hoort wat, de boekhandelaar beloont dat geloof met een plaatsje bij de kassa.

Het is de klare taal van het marktmechanisme, de retoriek van de bevattelijke getallen, de duidelijke taal van iemand die zich merkbaar bevrijd voelt van een verplichting jegens de inhoud van de boeken die hij verkoopt.

Het pijnlijke is dat we hem zo goed verstaan.

    • Bas Heijne