Een al te ruim genomen maat

Aarts' Letterkundige Almanak 1995. Uitg. C.J. Aarts, 192 blz. ƒ 19,95.

Auteurs die tussen 1940 en 1945 stierven, hebben niet per definitie iets gemeen. Een schrijvende pater die bij toeval om het leven kwam door een bombardement, is niet te vergelijken met een joodse publicist die naar een vernietigingskamp werd gevoerd of een fascist die in 1943 een natuurlijke dood stierf.

Aarts' Letterkundige Almanak, het doorgaans zo prijzenswaardige naslagwerkje over het afgelopen literaire jaar, is ditmaal gewijd aan auteurs die in de oorlogsjaren stierven. De maat is ruim genomen: ook de sterfgevallen van januari 1940 en december 1945, die niets met de oorlog te maken hadden, staan erin vermeld. Het zijn er in totaal 257, aldus samensteller en uitgever C.J. Aarts, van wie er zo'n 106 als schrijvers van letterkundig werk kunnen gelden. Onder hen zijn de bekende grootheden, maar ook minor writers als J.K. Rensburg en M.H. van Campen, de romanvertaler en jongensboekenschrijver J. Feitsma, de tekstdichters Chef van Dijk en Willy Rosen en zelfs het swingende zangduo Johnny & Jones dat liedjes van eigen makelij zong. Dat doet sympathiek aan.

Maar de manier waarop zij in korte necrologieën worden herdacht, laat veel te wensen over. Te veel. Zelf schrijft Aarts voornamelijk nauwgezet en met verschuldigde eerbied over de auteurs die hij zich had toebedeeld. Hij achterhaalt bibliografische bijzonderheden en levert een kenschets van het gepubliceerde werk. Diverse van zijn medewerkers hebben er echter met de pet naar gegooid. Het stukje dat over Menno ter Braak moet gaan, is grotendeels een schimpscheut naar W.F. Hermans die diens zelfmoord ridiculiseerde. Het tekstje over Jan Campert bestaat uit een anekdote waarin diens zoon Remco de hoofdrol speelt. De bijdrage over A.M. de Jong gaat alleen over de moord die op hem werd gepleegd, niet over 's mans betekenis. En bij de dichter-zanger J.H. Speenhoff, die in maart 1945 door een bombardement werd onthoofd, ontbreekt iedere verwijzing naar 's mans flirt met de bezettende macht.

Menige necrologie wordt ontsierd door persoonlijke ontboezemingen of lolligheden als: 'Medunkt, een enerverend leven' - als slotzin over iemand, die op jonge leeftijd belletrie publiceerde, maar daarna vooral universitaire studies verrichtte. Ook deze openingszinnen van een stukje over een schrijvende verzetsman met een klein literair talent beschouw ik maar als een mislukte poging tot humor: 'Geen enkele grote Nederlandse schrijver nam deel aan het gewapende verzet. Hermans deed niets, Mulisch had een foute vader en Van het Reve stond eens op de uitkijk bij een overval die werd uitgevoerd met een speelgoedpistool.' Want het zal toch niet zo zijn, dat de auteur (Bob Polak) hiermee werkelijk een striemende uitval naar de drie betrokkenen meent te doen?

Aart heeft het in zijn voorwoord over 'een aanzet tot een bloemlezing, tot een tentoonstelling of tot een complete bibliografie'. Ja, zo kun je het beschouwen. Maar het is óók een onevenwichtige verzameling van serieuze (en vaak zeldzame) informatie en flodderige bric à brac over volstrekt ongelijksoortige sterfgevallen, die in deze almanak bij elkaar is gebracht.

    • Henk van Gelder