De dingen zijn hun vrienden; Roman van Hannes Meinkema over het Downsyndroom

Hannes Meinkema: Dier en engel. Roman. Uitg. Contact, 239 blz. Prijs: ƒ 29,90

Terwijl op televisie een sensatiebeluste, compassieloze documentaire over geestelijk gehandicapten wordt vertoond, vraagt de vrouwelijke ik-figuur in Hannes Meinkema's roman Dier en engel zich af wat hier de bedoeling van kan zijn. 'Nu de in stront en slagroom uitgegleden volwassenen de lachlust niet meer kunnen wekken en we eveneens zijn uitgekeken op de rijen ach zo vertederend neersmakkende kinderen en honden, zijn we nu toe aan de bloopende mongool?'

Dier en engel gaat over geestelijk gehandicapten, specifieker: over kinderen met het Downsyndroom. Het is dan ook aannemelijk dat Meinkema zich met bovenstaande verzuchting min of meer indekt tegen het verwijt dat zijzelf, nu we zijn uitgekeken op incestslachtoffers, alleenstaande moeders, zielige lesbo's en gediscrimineerde zwarten, in de verstandelijk gehandicapten een nieuwe doelgroep heeft gevonden om te 'verheffen'.

Eerlijk gezegd verdacht ik haar daar ook van, omdat de achterflap vrolijk aankondigt dat de roman 'getuigt van een verfrissende kijk op de wereld van verstandelijk gehandicapten'. Deze verdenking wordt ontzenuwd: Meinkema heeft een ontroerend boek geschreven, zowel over de kinderen die zij consequent 'mongolen' noemt, als over de dilemma's waarvoor (aanstaande) ouders van zulke kinderen zich geplaatst zien.

Hoofdpersoon en vertelster Geertje is de gelukkige, alleenstaande moeder van een gezonde, intelligente dochter, maar ooit is ze zwanger geweest van een kind met het syndroom van Down, dat ze zonder schuldgevoelens heeft laten weghalen. Als ze er, jaren later, achter komt dat haar nieuwe geliefde een bijna volwassen mongoloïde dochter heeft, beschouwt ze dat als haar noodlot. Ze reageert overspannen en gedraagt zich discriminerend, totdat ze zich in het leven en de persoonlijkheid van het meisje gaat verdiepen.

Zonder haar angst en afkeer jegens geestelijk gehandicapten en hun ouders of verzorgers onmiddellijk te laten varen - dat maakt het boek overtuigend - verliest ze uiteindelijk veel van haar vooroordelen. Ze treedt binnen in een kinderlijke wereld vol onschuldige aanhankelijkheid en liefde, maar ook vol weerloze eenzaamheid en angst.

Meinkema heeft zich met huid en haar overgeleverd aan haar onderwerp. Ze schrijft er zonder vals sentiment over. Zo maakt ze onderscheid tussen de geestelijk gehandicapten die ze introduceert en durft ze zich af te vragen wat de bestaansreden is van de zwaarst gestoorden onder hen, de 'planten'. 'Zulke kinderen stellen de vraag naar de zin van het leven, naar de ondergrens. Moet iemand die nooit ergens van zal kunnen genieten, blijven leven?' Tegelijkertijd laat ze de liefdevolle tegenzang horen van de verzorgster van een dergelijk, louter vegeterend kind.

Dier en engel is wel weer een erg serieus en verantwoord boek, zoals vrijwel al het werk van Meinkema. Alle problemen waar geestelijk gehandicapten en hun verzorgers mee worstelen, alle goede, slechte en tussenoplossingen voor elk denkbaar dilemma worden uittentreure belicht en afgewogen. Het lijkt bij deze schrijfster vaak alsof het betoog op de eerste plaats komt en de literaire verbeelding secundair is. Dier en engel heeft af en toe iets weg van een documentaire waarvan op het laatste moment met een paar duidelijk zichtbare literaire handgrepen fictie is gemaakt. Dit komt de compositie van het verhaal niet ten goede.

Gelukkig krijgen in de roman soms ook de emoties vrij spel. De beschrijvingen van het engelachtige meisje Renee, geboren met een hersenbeschadiging, en die van het bezoek aan een schildersatelier voor gehandicapten, behoren daartoe. Zulke passages bieden zicht op een fascinerende, in zichzelf besloten wereld die, om er de schoonheid van te zien, benaderd moet worden als een kunstwerk, waarin je slechts met moeite kunt doordringen.

In navolging van Oliver Sacks (The man who mistook his wife for a hat) noemt Meinkema geestelijk gehandicapten, wegens hun esthetische en symbolische vermogens, 'natural poets'. Hun onvermogen om te abstraheren wordt gecompenseerd door een vermogen tot concreetheid, waardoor zij kunnen doorstoten naar de ware betekenis van de dingen. Alles is persoonlijk voor hen, zegt Meinkema. De dingen zijn hun vrienden, elk met hun eigen gezicht. 'Hun innerlijke wereld is niet zoals bij ons op schema's gebaseerd, maar het best te vergelijken met een patroon met natuurlijke harmonie.'

Of dat waar is, weet ik niet. Maar op de momenten dat Meinkema zich in haar personages verliest en zich laat gaan, maakt ze het aannemelijk.