Vrijheid 1

Ik kan schrijven wat ik wil. Goed, lengte en onderwerp liggen vast. En verder moet ik er voor zorgen me niet al te stoethaspelig uit te drukken of zinnen te construeren die mensen tot gek wordens toe moeten herlezen om een flauwe notie van de quintessens ervan te krijgen, anders zal een medewerker van dit periodiek me melden verder geen moeite en in plaats daarvan iets leuks te doen.

Wat een vrijheid. In Emmen lopen zeker tien gemeenteambtenaren rond die graag wekelijks in de krant hadden geschreven hoe het op het stadhuis toeging. Maar zij hadden die vrijheid niet. En er zijn er wel duizend in al die fabrieken en kantoren die de vreselijkste dingen meemaken, maar dat op straffe van berisping, degradatie of ontslag niet publiek mogen maken. Ik mag het wel, want ik ben docent. Wat een vrijheid.

Docenten zouden vaker moeten bedenken, hoeveel vrijheid zij hebben. De vrijheid te vinden wat ze vinden. De vrijheid om zich in hun dagelijks werk niets aan te trekken van collega's en hogeren. De vrijheid om zo ongeveer te kunnen doen en laten wat ze willen in de klas. De vrijheid om onweersproken iedereen de schuld te geven van hun ongenoegen. De vrijheid van werktijden die slechts voor korte perioden vastligt en die ze verder naar believen kunnen verlengen tot tachtig uur per week, kunnen verplaatsen naar zaterdagavond of kunnen verkorten tot iets meer dan een halve dagtaak. De vrijheid van de afwezigheid van controle, de afwezigheid van het oordeel van anderen.

Docenten zouden vaker moeten nadenken over de onvrijheid van hun leerlingen. Onderwijs krijgen betekent per definitie onvrijheid. Zelfs de PBNA-student zal nadat hij zich in volledige vrijheid inschrijft voor een cursus Procesmanagement Droogstoppelen opgezadeld worden met opdrachten. Anderen bepalen op welke wijze hij een deel van zijn tijd, energie en aandacht gaat besteden.

De onvrijheid van leerlingen om bezigheden in te richten naar eigen aard, nog erger: de onvrijheid om bezigheden te kiezen. De fysieke onvrijheid, de onvrijheid om te staan en te zitten wanneer je dat wilt. De onvrijheid van het oordeel, weten dat iedere keer weer gewogen wordt of je werk goed of slecht is, de onvrijheid als gevolg van een moreel oordeel (“Pietje is lui”) over bezigheden die niets met moraliteit te maken hebben. De onvrijheid van het gezelschap waarin je verkeert. De onvrijheid om de eenzaamheid te zoeken.

Ik vraag met enige regelmaat aan leerlingen mij hun schrift/klapper/multomap te tonen voor inspectie. Al bladerend geef ik commentaar: “Wat staat daar - je moet ook de paragraafnummers opschrijven - gebruik wat meer ruimte - heb je deze antwoorden al gecontroleerd - ziet er goed uit - je loopt wel een beetje achter.” Collega vandeKa doet dat niet. Hij vindt dat ongepast. Inbreuk op de privacy? Neu, maar een leerling moet zelf uitmaken hoe hij werkt. Daar ga ik met m'n pleidooi voor de vrijheid van de leerling.

De leerling zou bevrijd kunnen worden als de school wordt afgeschaft. Maar er moet wel een school zijn. Er is hier dus sprake van een dilemma: hoeveel vrijheid, hoeveel nut, wat kan het vrijheidsgehalte van het onderwijs zijn. Hoe kan de vrijheid van de leerling zonder schade vergroot worden? Dit natuurlijk is het belangrijkste argument vóór de zoveel gepropageerde school van de toekomst, het studiehuis. Wat is het vreemd dat dit argument nooit wordt uitgesproken.

    • Rob Knoppert