Slim in Frankrijk

Organisation for economic co-operation and development, Reviews of national policies for education. France. Parijs 1996 256 blz. ISBN 92-64-14708-x

Het Franse onderwijssysteem is er niet in geslaagd het aantal slecht presterende leerlingen terug te dringen, een probleem dat al in het begin van de jaren zeventig is onderkend. Dit schrijft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in de onlangs verschenen aflevering in de serie Reviews of National policies for Education over Frankrijk. In de OESO werken de 26 meest geïndustrialiseerde landen samen.

Frankrijk staat internationaal bekend om haar ambitieuze onderwijspolitiek maar de OESO plaatst hier met dit rapport een kanttekening bij: “Hoe ambitieus het ook mag lijken, het doel om 80 procent van de kinderen op te leiden tot het niveau van 'baccalauréat' (ongeveer het VWO-diploma, red.) kan de toekomst van de andere twintig procent juist in gevaar brengen.” Volgens de rapporteurs van de OESO (B. Lutz uit Duitsland, R. Carneiro uit Portugal en H. Steedman uit Groot-Brittanië) is het Franse onderwijssysteem goed aangepast aan de gemiddelde en de slimme leerlingen. Maar ze vragen zich af of de 'moeilijke leerlingen' niet te veel worden gestigmatiseerd.

Volgens de OESO wordt het steeds duidelijker dat onvoldoende presteren op school niet alleen maar een gevolg is van capaciteiten van het betreffende individu, maar dat het voor een groot deel ook een sociaal fenomeen is. Bijna overal in de OESO gaat het om kinderen met kenmerken als: afkomstig uit relatief grote (eenouder)gezinnen, met slecht opgeleide ouders, slechte relatief slechte woonruimte en ook vaak uit immigrantengezinnen uit van buiten Europa.

Het rapport kan invloed hebben op de discussie over het Nederlandse onderwijssysteem. Eind vorig jaar heeft minister Ritzen (onderwijs), naar aanleiding van vragen door de Tweede Kamer, aan de Onderwijsraad opdracht gegeven een brede studie te verrichten naar de conclusies van het proefschrift van dr. S. Blom Intellectuele vorming in Nederland en Frankrijk. De conclusie van Blom, op grond van vooral meerjarig statistisch cohortonderzoek, is dat in Frankrijk veel meer leerlingen de hoogste intellectuele vorming behalen dan in Nederland. In Frankrijk steeg het aantal leerlingen dat toegangsrecht verkreeg tot de universiteit (baccalauréat) van 21 procent in de jaren zestig tot 52 procent nu. In Nederland bleef dat aantal leerlingen met dat recht (VWO, HBO-propedeuse) in dezelfde periode rond de twintig procent.

Ook het aantal leerlingen dat het oordeel 'goed' of 'zeer goed' kreeg steeg in Frankrijk, in Nederland bleef dat gelijk. Volgens Blom zijn deze verschillen niet te verklaren uit een mogelijke daling van de standaard. Volgens haar wordt in Frankrijk veel langer geprobeerd het 'beste' uit een leerling te halen, terwijl in Nederland een leerling al direct naar de basisschool wordt ingedeeld naar schooltype. De rationalistische idealen van de Franse revolutie spelen daarbij een sterke rol. In Frankrijk bestaat een soort middenschool-systeem, waarbij leerlingen nog tot rond hun vijftiende jaar in een soort 'oriëntatie-cyclus' zitten. Tegelijkertijd staat ook in Nederland de effectiviteit van achterstandsmaatregelen voor zwakke leerlingen ter discussie.

Ook in Frankrijk bestaan maatregelen om leerlingen uit achterstandsmilieus te helpen, maar die lijken minder uitvoerig dan in Nederland. Volgens de OESO moet een school in achterstandbuurten 'een werkelijk alternatieve leeromgeving' bieden, maar volgens haar is de Franse school bovenal een plaats voor kennisverwerving, met tot voor kort weinig neiging tot 'sociale interventie'. Lesmethoden noch lesinhoud worden nauwelijks aangepast. Door de ingrijpende creatie van de Franse 'middenschool' (het collège unique) in de jaren zeventig is de aandacht verzwakt voor hervormingen op de basisschool, aldus de OESO. Het rapport citeert onder meer een Frans inspectierapport waarin wordt geconstateerd dat het door de grote zelfstandigheid van onderwijzers erg moeilijk is om lesmethoden in te voeren met meer mogelijkheden om 'gedifferentieerd' les te geven, meer aangepast aan de verschillende capaciteiten en leersnelheden van de leerlingen.

Volgens de OESO leidt de stijl van lesgeven onder 'encyclopedisme'. De nadruk ligt op 'deductie' en niet op zelf ontdekken. Daardoor is de Franse leraar “niet werkelijk in staat om het verlangen op te wekken om verder te leren”.