Pronkgordijnen uit de Gouden Eeuw; Een hemelsbloemenbed in Haarlem

Elk museum prijst zijn jongste aanwinst graag de hemel in, maar bij de tentoonstelling van een hemelbed met de fraaiste pronkgordijnen ligt dat wel zeer voor de hand. Nieuw licht op oude 'behangsels'.

Frans Halsmuseum, Haarlem, ma t/m za 11-17 uur, zo 13-17 uur. 't Hemels Bloembed zelf hoort sinds 23 maart bij de vaste opstelling, de bloemententoonstelling er omheen blijft nog tot 12 mei. Tot 26 mei is er ook een expositie van naaigerei en merklappen uit de 17de tot en met de 19de eeuw. Inl 023-516 42 00

Drie jaar geleden toonde textiel-antiquair Marsija Villerius op de PAN, de Amsterdamse kunstbeurs, een tiental stroken oude stof, geborduurd met bloemen, lauwerkransen en boompjes. Het Frans Hals-museum in Haarlem verwierf ze met hulp van zijn Vereniging van Vrienden en twee culturele stichtingen voor 150.000 gulden, en liet de stof onderwerpen aan een grondige conserverende behandeling.

In de voormalige kapel van het museum staat nu het nieuwe object in zijn volle glorie te kijk als een van de topstukken van de hele collectie. Een staketsel met de afmetingen van een hemelbed is geheel behangen met pronkgordijnen (want dat zijn het) zoals slechts de allerrijksten in Hollands Gouden Eeuw zich die konden veroorloven. Met zijden garens in tientallen tinten geel en goud, met blauwe en rossige accenten, zijn ruikers op een groene wollen ondergrond geborduurd. De kleuren lichten op dankzij kleine schijnwerpertjes - zo moeten zij drie eeuwen geleden geschitterd hebben in het licht van kaarsen en olielampen.

Nergens ter wereld is een set bedgordijnen (of 'behangsels', zoals zij in de zeventiende eeuw werden genoemd) van deze pracht en omvang bewaard gebleven. Niet alleen waren zij toen al uitzonderlijk, maar ook is het materiaal eenvoudig te teer om de tand des tijds te doorstaan. Deze bedgordijnen zijn lange tijd bewaard in een kist, dus beschut tegen licht, stof en ongedierte. Alleen het gouddraad waarmee op de ondergrond duizenden grassprietjes zijn gestikt, heeft zijn glinstering verloren; maar voor moderne, op soberheid ingestelde ogen, is de totaalindruk nog steeds van een ongekende weelderigheid.

Een bed in het woonvertrek was in de zeventiende eeuw nog heel gewoon; het is op interieurschilderijen vaak te zien. Gewone mensen sliepen in bedsteden, de rijken pronkten met hun losstaande ledikant. En terwijl raamgordijnen, als zij er al waren, van sobere (meestal groene) baaien stof waren, werd het bed soms opgesierd met de fraaiste behangsels.

Niet bekend

In een vitrine zijn nog een paar stukken bedgordijn te zien in de toestand van voor de behandeling door de Haarlemse Werkplaats tot herstel van Antiek Textiel. De draadjes aan de achterkant van de stof bewijzen hoe weinig de garens zijn verbleekt. Te zien is ook hoe de gordijnen ooit zijn verlengd tot 2,8 meter hoogte, waarbij waarschijnlijk stof is gebruikt die eerst als stoelbekleding had gediend.

Tulpen, narcissen, anemonen, akelei en vele andere bloemen zijn op de stof geborduurd, steeds gevat in ruikertjes die met een strik bij elkaar zijn gebonden. Het patroon is in grote lijnen regelmatig, maar in de details fantastisch gevarieerd. Misschien, zo speculeert directeur Snoep van het museum, zijn de naaldboompjes die de open plekken vullen een verwijzing naar de naam van de opdrachtgever die ooit de gordijnen bestelde. Was het een familie Sparreboom, waren het de Denneheuveltjes? Zeker lijkt alleen dat de gordijnen gemaakt zijn in Noordholland, in de tweede helft van de zeventiende eeuw.

Het Haarlemse museum, gelegen in het hart van de bollenstreek, toont al jaren in het voorjaar kunstwerken die met bloemen te maken hebben. Ook nu is dat zo. Wie door het museum zwerft, komt overal bloemen tegen, geschilderde en echte, in oude en moderne vazen. Tulpen met paarse strepen, crêmekleurige anjers met donkerrode randjes. In de Renaissance-zaal staan op een tafel zeventiende eeuwse drinkglazen (het zijn replica's, te koop in de museumwinkel) gevuld met niets dan oranje-rode, spitsbladige tulpen, een spectaculair effect.

Rondzwerven door het museum is trouwens te meer aan te raden omdat er veel aan de inrichting is veranderd. Kamers zijn opgeknapt, schilderijen hergegroepeerd; de oude kunst is nu thematisch ingedeeld. “Weinig musea”, zo schreef ooit een conservator over dit voormalige Oudemannenhuis, “vormen naar uiterlijke verschijning en inhoud zulk een harmonie als Hollands intiemste museum.” Dat geldt nog steeds, en het Hemels bloembed draagt daar het zijne toe bij.

    • Ileen Montijn