Navelstaren wijst op stagneren van democratie

Bestaat er zoiets als een Nederlandse identiteit? Over dat onderwerp verscheen dezer dagen de bundel 'Het nut van Nederland', samengesteld door Koen Koch en Paul Scheffer. Volgens Frank Ankersmit is die hernieuwde belangstelling voor de eigen identiteit geen teken van herlevend nationalisme, maar van het falen van de politiek. De democratie is in de ogen van velen steeds minder in staat nationale problemen op te lossen.

Als uitgangspunt voor mijn betoog kies ik een door Perry Anderson gemaakt onderscheid waaraan Paul Scheffer in zijn bijdrage refereert. Het betreft hier het onderscheid tussen 'volksaard' en 'nationale identiteit'. Scheffer licht dat onderscheid als volgt toe: “Vergeleken met volkskarakter is identiteit tegelijk dieper en kwetsbaarder. Identiteit bezit altijd een reflexieve of subjectieve kant, terwijl karakter in laatste instantie een volkomen objectieve aangelegenheid kan zijn.”

Ik denk dat dit onderscheid wezenlijk is voor de onderhavige problematiek en ik wil er daarom een moment nader bij stil staan. In de eerste plaats is het zeker mogelijk te spreken over bijvoorbeeld de Nederlandse volksaard: met Huizinga kan men die met 'burgerlijkheid' in verband brengen. Scheffer zelf associeert die met 'tolerantie, consensus en egalitarisme', en velen zullen denken aan een balans waarbij aan de creditzijde spaarzin, degelijkheid of nuchterheid staan, en aan de debetzijde lompheid, kleingeestigheid, een ergerlijk gebrek aan kwaliteitsbesef en een waarlijk ongeëvenaard talent voor hypocrisie.

Natuurlijk hebben vele contribuanten aan deze bundel gelijk wanneer zij erop wijzen dat het geen eenvoudige zaak zal zijn om over die volksaard iets houdbaars te zeggen. Maar het feit dat over de juiste definiëring van die volksaard steeds meningsverschillen zullen blijven bestaan, bestempelt het debat daarover eo ipso geenszins tot zinloos.

Voorts, zoals Anderson inzake de volksaard aangeeft, gaat het om een in principe objectieve aangelegenheid. Dat wil zeggen: om de vraag naar de aard van een bepaalde, niet onbelangrijke stand van zaken. Wie daarom, zoals Koch in zijn bijdrage, een discussie over deze stand van zaken uit het publieke debat wil verbannen, plaatst zich op het hellend vlak van het opofferen van de vraag naar de aard van de sociale en politieke werkelijkheid aan goede bedoelingen.

En, zoals wij zo langzamerhand weten, geen bedoeling kan goed genoeg zijn om een dergelijk offer te rechtvaardigen. Want vroeger of later zal de werkelijkheid altijd diegenen marginaliseren die denken ongestraft de werkelijkheid te kunnen marginaliseren. Nooit heeft zelfopgelegde naïviteit ons verder geholpen.

Dat brengt mij nu van die 'volksaard' bij de 'identiteit'. Anders dan de volksaard is die, volgens Anderson, 'reflexief' en 'subjectief'. Daarbij twee kanttekeningen. In de eerste plaats: men kan zich redelijkerwijs afvragen of het onderscheid tussen 'volksaard' en 'identiteit' wel helemaal zuiver is. Want zou die 'identiteit' of dat zelfbeeld van een natie niet ook tot de althans in principe objectief beschrijfbare eigenschappen van die natie kunnen behoren? En dat zou tegen het onderscheid pleiten.

Anderzijds, wat we op het objectieve niveau van de 'volksaard' aantreffen, kan best geheel anders, of zelfs tegengesteld zijn aan wat zich op het subjectieve niveau van de 'identiteit' voordoet. Bijvoorbeeld: die door de meeste niet-Nederlanders positief geïnterpreteerde spaarzin, zullen Nederlanders zelf wellicht vaak als gierigheid zien. En waar buitenlanders de meest brutale en loepzuivere hypocrisie ontwaren, daar localiseren Nederlanders zelf vaak juist het zuiverste teken van hun hoge morele perfectie. En dat betekent dat, in tweede instantie, Andersons onderscheid tussen de objectieve volksaard en de zelfpresentatie in en door de nationale identiteit even zinvol als noodzakelijk is.

Het zal dan duidelijk zijn dat de contribuanten aan deze bundel zich voornamelijk op niveau van de nationale identiteit, en niet op dat van de volksaard bewegen. De bundel gaat niet over hoe spaarzaam en proper, of hoe eerloos en hypocriet de Nederlandse natie is, maar over de vraag of wij ons van ons Nederlanderschap en wat daar de specifieke eigenaardigheden van zijn, bewust horen te zijn omdat dat een belangrijke factor zou kunnen zijn voor ons politiek functioneren.

Cruciaal is daarbij dat de contribuanten aan de bundel het er vrijwel unisono over eens blijken te zijn dat die laatste vraag plotseling een nieuwe en opmerkelijke urgentie heeft gekregen. In feite ligt daar ook de directe aanleiding tot Scheffers opstel van vorig jaar februari in deze krant en daarmee tevens voor deze bundel.

Inderdaad, tot voor kort werd om de vraag naar onze nationale identiteit wat besmuikt gegiecheld alsof het om een gênant vakantiekiekje ging. Het leek een vorm van navelstaren waar men zich niet aan behoort over te geven. En het mag goed zijn - zoals in verschillende bijdragen gesuggereerd wordt - dat juist dit soort van gêne een indicatie is van de soliditeit van ons nationaal besef.

Peter Burke heeft eens gezegd dat juist succesvolle naties met een groot verleden het zich kunnen permitteren hun verleden te vergeten (in tegenstelling tot de Joegoslaviës van deze wereld). En zo heeft ook Nederland, door Huizinga terecht als een nation satisfaite aangeduid, weinig reden om zich in overpeinzingen over zijn identiteit te verliezen. Een geestelijk gezond mens gaat ook niet naar de psychiater.

Voorts heeft Couwenberg ongetwijfeld gelijk wanneer hij schrijft dat de 'progressivistische' ideologie van de jaren zeventig het denken over de nationale identiteit onmiddellijk met nationalisme, en vooral met de uitwassen daarvan associeerde.

Die progressivistische veroordeling treft men nog in onversneden vorm aan in Kochs reactie op Scheffers stuk. Koch voorspelt ons de meest verschrikkelijke rampen wanneer het publieke debat zich voort zou zetten in de door Scheffer zo lichtzinnig ingeslagen richting.

Daarentegen is De Beus, anders dan Koch, juist een voorstander van een zich rekenschap geven van de verschillen en de conflicten die de multi-culturele samenleving, die de onze lijkt te gaan worden, verdelen. Hij acht die de onmisbare basis voor een integratie, of voor wat hij aanduidt als “de patriëring van oude en nieuwe Nederlanders”.

Maar ik geloof niet dat dit 'patriërings-model' veel realistischer is dan Kochs aanbeveling om net te doen alsof er niets aan de hand is. Het vervelende probleem met culturele en nationale identiteiten is immers juist dat die een buitengewoon taai leven blijken te leiden en dat wij ze vaak ook pas als zodanig in het vizier krijgen. De introductie van de notie van de nationale identiteit in het publieke discours, betekent eerder de introductie van een grens of van een onontkoombaar gegeven waarmee men zal moeten leren te leven, dan van een nuttige hulplijn voor de oplossing van onze sociale conflicten.

In het navolgende wil ik de netten wat wijder uitwerpen. Uitgangspunt daarbij is die verrassende, in de aanvang van Kossmanns bijdrage geciteerde uitspraak van Thorbecke. Thorbecke legt daar een verband tussen de verreikende politieke plannen van de 'negenmannen' en wat hij aanduidde als onze 'oorspronkelijke nationaliteit' - kortom, een verband tussen politiek en nationale identiteit.

Ook Te Velde wijst ons op die link, wanneer hij zich er, terecht, over verbaast dat in de literatuur inzake ons probleem 'de politiek' en 'de natie' onderling zo zelden gerelateerd worden. Maar Te Velde heeft zich er niet toe gezet in zijn opstel die door hem geconstateerde leemte op te vullen.

Dat is anders bij Kossmann - en ik denk daarbij met name aan zijn opmerking dat de eerste roerselen van een Nederlands nationaal besef, aan het einde van de achttiende eeuw, geboren werden, of althans nauw samengingen, met een verontrust en bitter besef van het verval van het land. Kossmanns opmerking maakt ons erop attent dat we tenminste zullen moeten onderscheiden tussen het van zelfvertrouwen blakende negentiende eeuwse nationalisme en een nationaal besef dat juist voortkomt uit gevoelens van verlies, onzekerheid en van verontrusting.

Ik wil hieronder de door Kossmann genoemde elementen - de verbinding tussen politiek en nationalisme, en nationalisme als uitdrukking van verontrusting - op elkaar betrekken. Welnu, in de eerste plaats wordt op verscheidene plaatsen in de bundel gewezen op het feit dat die aandacht voor de nationale identiteit geenszins een specifiek Nederlands verschijnsel is. Nu het met de euforie over de Europese Unie voorlopig gedaan lijkt, treden de oude particulariteiten van ons werelddeel met hernieuwde kracht op de voorgrond - en men weet niet wat hier oorzaak en gevolg is. De voormalige Oostbloklanden zijn vanzelfsprekend een nog treffender illustratie. En buiten Europa kan men aan Quebec of aan de Koerden denken.

In de tweede plaats, dit alles moet men in het verlengde denken van die toegnomen behoefte zich eerder te identificeren met de regio dan met het centrum, waar enkele jaren geleden iedereen het over had.

Waar het nu om gaat is dit. Wat in dat regionalisme, naar het oordeel van velen, tot uitdrukking kwam, was een ergernis over tekortkomingen van nationale politiek en over het politieke centrum als centrum van politieke besluitvorming. Kort gezegd, die regionalistische fragmentering verwoordde een onvrede over de bestaande politiek en over politieke besluitvorming. Men vermoedde in de door het centrum geformuleerde politiek een zwak, inadequaat en ontoereikend instrument om de bestaande politieke problemen aan te vatten en meende, al of niet terecht, dat de regio daar beter geëquipeerd zou zijn.

Op basis van deze beide constateringen zou ik de these willen verdedigen dat die niet alleen in Nederland, maar zoveel vaker voorkomende interesse voor de nationale identiteit, in verband gebracht moet worden met het verminderd probleemoplossend vermogen van de democratie en van het traditionele politieke centrum.

Zolang de nationale politiek het onbetwiste en geëigende instrument leek om algemeen gevoelde sociale en politieke problemen aan te vatten, kon de politiek en het politieke centrum functioneren als de spiegel waarin de natie zich weerspiegeld, dan wel gerepresenteerd wist. De politiek absorbeerde, om zo te zeggen, de potentie tot nationalisme en wist die in een vruchtbaar en creatief beleid om te zetten.

Dat vermogen bezit de politiek, in de ogen van velen, nu in mindere mate. Men constateert dat steeds dezelfde ernstige problemen de politieke agenda beheersen - werkloosheid, de aanpassing van de verzorgingsstaat, overheidstekorten, de ganse reeks van oorzaken van een toenemend Unbehagen in der Kultur - zonder dat dat tot enige reële verbetering aanleiding is.

Politiek is in de ogen van velen niet langer het instrument tot de oplossing van politieke en sociale problemen, maar tot de vermijding van die oplossing en van de bestendiging van die problemen. De staat die decennia lang spreekt over het onduldbare werkloosheidsprobleem en over de verantwoordelijkheden van de staat daarin, zonder dat dit enig zicht op een oplossing bood - die staat begint de indruk te wekken eerder een generator dan een oplossing van dat probleem te zijn. Het is alsof de staat, de nationale politiek en het bestaande politieke discours hun bestaansrecht juist zoeken te ontlenen niet aan de oplossing, maar juist aan de bevriezing, de permanentie en de onoplosbaarheid van dat soort problemen.

Zonder spiegel, zonder een niveau waarop een zinvolle reflectie mogelijk is op de aard van de bestaande sociale en politieke problemen en de mogelijke oplossingen daarvoor, kan geen enkele samenleving bestaan. Wanneer dan de politiek de spiegelfunctie niet langer adequaat lijkt te kunnen vervullen, dan kan onze behoefte daaraan een alternatieve uitweg zoeken en vinden in een reflectie op de nationale identiteit, dat wil zeggen, in een proto- of postpolitieke collectieve zelfreflectie.

Zo was het in de Republiek in haar nadagen aan het einde van de achttiende eeuw, zo is het hier ook nu, en in vele andere Westerse democratieën. We moeten daarin niet, met Koch, een herleving van een twintigste-eeuwse nationalisme ontwaren, maar vooral een aanmaning aan de politiek de indruk te wekken problemen op te lossen in plaats van die te voorzien van een soort van eeuwige plaats op de politieke agenda.

Wat er voornamelijk uit spreekt is niet een 'wij-zijn-beter-dan-de-ander', of zelfs maar een 'wij-gevoel'; het maant niet tot nationale zelfverheerlijking. Veeleer is het aan de politiek een signaal à la 'doe iets', of in de trant van Heer Bommels befaamde 'Tom Poes, verzin een list'.