Naastepad verklaarde de bijbel zó mooi

Het beeld van soberheid overvalt de bezoeker aan de doopsgezinde kerk aan de Noordmolenwerf in Rotterdam. Hij ziet de ruggen van dertien rijen stoelen, geflankeerd door de kerkbanken waar vroeger mannen zaten, en een hoge preekstoel. Luxe ontbreekt, evenals pracht en praal - een uitzondering daarop vormt het orgel, dat van hoge kwaliteit is.

Tot enkele jaren geleden hield de katholieke theoloog Thomas Naastepad hier een van de drie godsdienstoefeningen op zondagochtend. Naastepad, die vorige week op 75-jarige leeftijd overleed, ging vier jaar geleden met pensioen. Aan de vroege dienst kwam toen een einde: zijn gemeente was zo verknocht aan de dichter-theoloog, die volgens haar de bijbel zo mooi en haarscherp wist uit te leggen, dat zij zonder hem niet wilde voortbestaan.

Een volgeling herinnert zich dat Naastepad een 'gezellige wijndrinker, een cabareteske man en een kluizenaar' was. “Maar het meest bijzondere was dat hij zo buitengewoon zorgvuldig met een bijbeltekst omging. Daar was hij dagenlang mee bezig voordat hij ermee naar buiten kwam”, zegt hij. “Ik herinner me nog goed hoe Toms diensten begonnen. Hij trok een mooie kazuifel (een katholiek misgewaad, red.) aan, kwam naar voren, liet vrouwen en mannen soms apart zingen en hield vervolgens een college theologie van een half uur. Dat had ik nodig, want de bijbel is een erg moeilijk en zichzelf vaak tegensprekend boek. Maar als hij de bijbel uitlegde, bleken de tegenstellingen geen tegenstellingen meer te zijn.”

Net als zijn vakgenoten Willem Barnard (Guillaume van der Graft), W.G. Overbosch, Huub Oosterhuis en de Vlaming Ignace de Sutter hoort Naastepad tot de generatie naoorlogse theologen die - samen met componisten als Wim Kloppenburg, Tera de Marez Oyens en Frits Mehrtens - een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de vernieuwing van de kerkelijke liturgie en het geestelijke-liedrepertoire. Vooral Barnard en Naastepad waren sterk aan elkaar verwant. Hun arbeid was meer grensoverschrijdend dan grensverleggend en beiden zijn “altijd met woorden aan het werk”, aldus de redactie van het Werkschrift van de Stichting Leerhuis & Liturgie in 1993.

Naastepad was een kind uit een gemengd huwelijk; een katholieke moeder en een protestantse vader. Op 19-jarige leeftijd vertrok Naastepad naar het grootseminarie in Warmond. Hier studeerde hij filosofie en theologie. Vervolgens werd hij kapelaan in Schiedam en later pastoor/predikant in Rotterdam. Zijn leven lang is hij priester van het bisdom Rotterdam gebleven, ook al zal de bisschop vaak moeite hebben gehad hebben met de 'geprotestantiseerde' manier waarop Naastepad aan het katholicisme vorm gaf. R. Bär, zelf van hervormde afkomst, bevond zich toen hij nog geen bisschop was ook vaak onder Naastepads gehoor. Men veronderstelt dat dat de reden is waarom het bisdom de eigenzinnig bijbeluitlegger zijn gang heeft laten gaan.

Volgens de Amsterdamse theoloog R. Zuurmond was Naastepad een man die de bijbel grotendeels uit zijn hoofd kende. “Van moderne bijbelvertalingen die niets meer te raden laten, moest hij niets hebben. Hij had een poëtische geest en las de bijbel als literaire teksten.” Het leidde ertoe dat in Rotterdam ook buitenkerkelijke mensen naar hem kwamen luisteren, aldus Zuurmond. “Vooral om zijn prachtige woordkeus en zijn voordracht.”

Er verschenen ook veel publicaties van Naastepads hand, zoals Het scharlaken snoer, Getijdendiensten in de landstaal (1961), Op de dorsvloer, Toespraken en nieuwe liederen uit het leerhuis (1964), een bundel Tafelgebeden uit 1968 en tal van schriftelijke verklaringen van allerlei bijbelverhalen.

Volgens Zuurmond moet een predikant allereerst zijn exegetisch handwerk 'goed en grondig' doen. “Een predikant moet de tekst in de Hebreeuwse grondtaal lezen en zélf een vertaling maken. Hij moet zorgen dat niets in de tekst hem ontgaat. Na het lezen komt het homiletische, het preekkundige gedeelte. De uitlegging van de teksten moet goed worden gezegd. Liefst net zo goed als de teksten zelf. Er zijn maar een paar predikanten die dat kunnen. Zeker is dat Tom daarbij hoorde.”

    • Frits Groeneveld