Inderdaad, een doodgewoon kabinet

Bijna nergens is 'het momentum' zo belangrijk als in de politiek. Vreemd is dat niet. Politiek bestuur is nu eenmaal in hoge mate een cyclische bezigheid. Van te voren staat vast, dat men maximaal vier jaar de tijd heeft om het programma te verwezenlijken. Het betekent dat vanaf het aantreden van een nieuw kabinet de tijd al begint te dringen. Temeer daar een kabinet in het eerste jaar van zijn bestaan nog met de boedel van het vorige kabinet zit, en er in het laatste jaar als gevolg van de dan naderende verkiezingen ook al van besturen minder terecht komt.

Een kabinet dat iets wil nalaten, moet dus tempo maken en onderweg weinig weerstand ondervinden. Vandaar het belang van het momentum, dat vaak samengaat met de komst van een nieuw kabinet. Elk kabinet heeft in de beginfase alleen al door het nieuwe een behoorlijk krediet. Dit gold in het bijzonder voor het kabinet-Kok toen het in de zomer van 1994 zijn entree maakte. De gigantische verschuivingen bij de Tweede-Kamerverkiezingen van dat jaar hadden al duidelijk gemaakt dat het land hard toe was aan wat anders. Met het 'paarse' kabinet krèèg het land ook wat anders. De christen-democraten werden na driekwart eeuw uit de macht verdreven en de tegenpolen PvdA en VVD bleken een coalitie te kunnen vormen.

Er waren heel wat mensen die hoopten en er eigenlijk ook voetstoots van uit gingen dat het nieuwe kabinet zou leiden tot een doorbraak. Daarbij waren de ogen nog niet eens zo zeer gericht op het programma van het nieuwe kabinet. Het toen nog kersverse regeerakkoord van PvdA, VVD en D66 maakte immers glashelder dat op dat punt weinig viel te verwachten. De afspraken tussen de drie nieuwe coalitiepartners deden uitermate vertrouwd aan en pasten geheel in het stramien van continuïteit en vernieuwing zoals dat ook gepredikt werd toen het CDA nog meedeed. Het voorgestelde beleid had zondermeer door die partij kunnen worden gedragen.

De grote verandering moest ergens anders vandaan komen. 'Paars' had het in zich een andere politieke en bestuurlijke cultuur te bewerkstelligen. Want een voor Nederlandse verhoudingen zo bijzonder samengesteld kabinet zou ongetwijfeld op dat punt zijn eigen dynamiek hebben, was het idee. De eerste maanden leek er inderdaad wat te gebeuren. Er was sprake van een meer open verhouding tussen regeringsfracties en kabinet. De ministersploeg zelf straalde het nodige enthousiasme uit. Kortom, de vlak na de totstandkoming van het kabinet-Kok veel gehoorde term 'wacht op onze daden' leek geen holle frase.

Helaas, het heeft allemaal niet zo mogen zijn. Het monisme is volledig terug en binnen de ministerraad doen zich rond de begrotingsbesprekingen de welbekende schermutselingen voor. Het Centraal Planbureau zet met mee- dan wel tegenvallers de toon en onderwijl vechten de vakministers met de hete adem van hun secretaris-generaal in de nek ieder voor zich voor de eigen departementale begroting. Buiten het kabinet beschuldigen de regeringspartijen elkaar over en weer van ontrouw aan de coalitie. Het is allemaal weer net als vroeger. Kok en Bolkestein hebben gelijk gekregen. Zij hebben van het begin af aan voor te hoge verwachtingen gewaarschuwd. Paars zou een gewoon kabinet worden, zeiden zij. En inderdaad: het blijkt een heel gewoon kabinet. Een kabinet dat er garant voor staat dat Nederland rustig verder kabbelt. Een kabinet dat het Nederlandse landschap ten volle weerspiegelt: vlak. Het elan dat er twee jaar geleden even leek te zijn is volledig weg: er wordt als vanouds geregeerd op basis van wetmatigheden en vanzelfsprekendheden.

Neem minister Hans Wijers van Economische Zaken. Deze D66-er behoorde twee jaar geleden tot één van de verrassende nieuwkomers in het kabinet. Als iemand die niet was opgegroeid in het Haagse politieke wereldje, maar ook weer niet als totale buitenstaander kon worden beschouwd, leek hij de verpersoonlijking van 'paarse meerwaarde'. Uitgerekend deze Wijers gooide dit weekeinde op het congres van zijn partij de handdoek in de ring. Hij wilde zo graag samenhangend beleid, sprak hij tot zijn partijgenoten. En hoewel die wens zoals Wijers toegaf klonk “als de logica van een kind”, was deze samenhang er juist niet. “Ieder heeft zijn eigen terrein en zijn eigen belangen. Die kunnen soms zo strijdig zijn dat enige samenhang ver te zoeken is”, aldus Wijers.

Ook 'paars' heeft zich dus niet kunnen onttrekken aan het Haagse moeras. Maar verontrustender is dat Wijers zich daar al bij heeft neergelegd. Als zittend minister zou Wijers natuurlijk ten strijde kunnen trekken tegen de door hem bekritiseerde conventies. Hij zou in elk geval een poging daartoe kunnen ondernemen. Niets van dit alles. Wijers kwam op het D66-congres niet verder dan “dit belangrijke vraagstuk” slechts “open” aan zijn politieke vrienden voor te leggen.

Het zo veel gevraagde samenhangend beleid vergt een andere wijze van besturen. Het komt er op neer dat de ministerraad zich veel meer een als integraal bestuursorgaan dient te gedragen dan een verenigde vergadering van departementshoofden. Eigenlijk zoiets zoals nogal wat ministers het zich bij hun aantreden hadden voorgesteld. Men zou volop de gelegenheid bieden om bij elkaar over de schutting heen te kijken. Mislukt dus. De minister van Verkeer en Waterstaat ligt ouderswets in de clinch met de collega van Milieu, Sociale Zaken vecht tegen Financiën, en ook de burenruzie tussen Binnenlandse Zaken en Justitie gaat onder 'paars' onverminderd voort.

Alle energie van de ministers zal de komende tijd opgaan aan de begroting. Nu extra economische groei niet langer als tranquillizer voor handen is kan ieder zich opmaken voor de bekende rituele dans om de miljarden. Overleven is daarbij de belangrijkste drijfveer. Zonder de steun van het momentum, want dat is reeds lang verdwenen. Na Kok en Bolkestein heeft ook de rest van Nederland zich neergelegd bij een gewoon kabinet.