In Angolese Soyo resten de verwrongen oliepijpen

SOYO, 4 MAART. De gigantische tank ligt er in de duinen van Soyo bij als een ingezakte kaassouflé. Een hoeveelheid van 400.000 vaten lag hier opgeborgen, drie maanden lang brandde de olie na de sabotage. De verwrongen metalen pijpleidingen slingeren als slangen over het zwart geblakerde terrein. “Misschien kan een kunstenaar hier nog iets van maken”, lacht Philippe Remarcle, de directeur technische afdeling van de oliemaatschappij Petrofina. “Voor ons betekent de hier toegebrachte schade een verliespost van 60 miljoen dollar.”

Het stadje Soyo in het uiterste noordwesten aan de monding van de rivier de Zaire ademt een rustieke sfeer uit, als in de vijftiende eeuw toen de Portugezen er voet aan land zetten en hun veroveringstocht van Angola begonnen. Tussen de dampende moerassen vissen en jagen de bewoners of ploegen met primitieve middelen hun akkertjes. De hoogtijdagen toen honderden bewoners werk vonden bij de talrijke oliemaatschappijen die in en vanuit Soyo opereerden, vormen nu nog slechts onderwerp van verhalen over de goede oude tijd.

De economische infrastructuur van Soyo ligt in puin, doelmatig vernield door de rebellenbeweging Unita. Tot 1992 was de oliesector van Angola goeddeels gespaard gebleven voor de burgeroorlog. Met de inkomsten uit de oliewinning kon de MPLA-regering zich staande houden tegen het door Zuid-Afrika en Amerika gefinancierde en bewapende Unita. Angola is na Nigeria de grootste olieproducent van Afrika bezuiden de Sahara met een produktie vorig jaar van 635.000 vaten per dag. De meeste olievelden liggen voor de kust, onbereikbaar voor de Unita-rebellen. Op het vaste land spoot alleen rond Soyo olie uit de bronnen. Daar wilde Unita een einde aan maken. In januari 1993, nadat de oorlog als gevolg van de mislukte verkiezingen in 1992 was hervat, nam Unita Soyo in en daarmee brachten de rebellen de regering de meest gevoelige economische klap van de hele oorlog toe.

“Het was een zware psychologische slag voor de regering”, vertelt Carlos Alves, hoofd van de Belgische oliemaatschappij Petrofina die de olievelden rond Soyo exploiteert. “Het was pure economische sabotage.” Na enkele maanden heroverden de regeringstroepen Soyo om het vervolgens na een paar weken opnieuw te moeten prijsgeven aan Unita. Na de tweede inname gingen de rebellen systematisch alle installaties vernietigen. Ze bliezen oliebronnen op, evenals peperdure apparatuur, huizen, tanks, vrachtwagen en bulldozers. Bovendien vuurden ze mortieren af naar de olieplatformen voor de kust waarna de buitenlandse oliemaatschappijen tijdelijk hun investeringen in de sector stopzetten. “Het moet een van de meest grondige economische vernietigingsacties zijn geweest ooit in een oorlog uitgevoerd”, zegt Petrofina-man Philippe Remacle.

Iets buiten Soyo, langs de kade van de Zaire, hadden de oliemaatschappijen een gigantisch woon- en opslagcomplex vanwaar alle olieplatformen voor de kust werden voorzien. Dit was de grootste logistieke basis in zijn soort op het Afrikaanse continent. Door de vernietigingszucht van de Unita-soldaten rest er nog slechts een verlaten stad van triplex gebouwen waarvan de daken zijn gesloopt. Hoog gras omsingelt de tennisbaan en lianen slingeren zich door de opslagplaatsen met reserve onderdelen. Drie en een half duizend arbeiders vonden hier werk, 42 oliemaatschappijen en aanleveringsbedrijven hadden hier hun kantoren gevestigd.

Unita-soldaten terroriseerden en plunderden de bevolking van Soyo. “We lieten ze maar hun gang gaan. Immers, je leven is je meer waard dan je spullen”, vertelt Manuel, een inwoner van het slaperige stadje. Een groot deel van de bevolking vluchtte naar Zaire. “Ik bleef twee jaar lang thuis. Ik durfde me niet te vertonen, omdat ik voor een oliemaatschappij werkte konden de rebellen me beschuldigen regeringsaanhanger te zijn. Dagelijks werd er geschoten.” In november vorig jaar, nog net rond het vredesakkoord met Unita, heroverde het regeringsleger Soyo na zware bombardementen . Nog steeds vallen er rond Soyo slachtoffers door de landmijnen die Unita achterliet.

Langs de wegen en palen rond Soyo staan paaltjes die aan de ene kant een lik rode verf kregen, aan de andere kant een witte streep. “Kijk uit”' waarschuwt een werknemer van het Zuidafrikaanse mijnopruimingsbedrijf Saracen. Begeef je je aan de rode kant , dan loopt je leven gevaar. “Je kan vijf meter naar links en vijf meter naar rechts lopen en tien meter recht vooruit. Maar ga niet het strand op, want daar bevindt zich nog een groot mijnenveld.” Saracen voert rond Soyo zijn grootste ontmijningsproject in Angola uit. Eén hectare reinigen van mijnen kost 6000 dollar. In geheel Angola legden beide partijen tien tot vijftien miljoen landmijnen. Dat betekent anderhalve landmijn voor iedere Angolees. Angola telt percentueel ter wereld het hoogste aantal invalieden door landmijnen.

Een fluitend geluid ontsnapt uit de pijpen die rond een van de negen inmiddels gerepareerde oliebronnen liggen. Twee maanden geleden hervatte Petrofina de oliewinning rond Soyo. “Maar het betreft nog slechts een fractie”, verzucht Petrofina-directeur Calvos Altes. Rond vele bronnen liggen nog mijnen of booby-traps. Petrofina pompt momenteel dagelijks 5000 vaten uit de grond, vóór de vernietigingsacties van Unita was dat 25.000 vaten.

Het potentieel voor oliewinning in Angola is enorm. Petrofina schat dat uit de velden rond Soyo nog 20 tot 25 jaar olie kan stromen. “In de diepe wateren voor de kust is nog nauwelijks onderzoek gedaan. En ook op het vast land bestaan nog goede mogelijkheden”, aldus Calvos Altes. Volgens verwachtingen van de regering zal de landelijke productie dit jaar oplopen tot 730.000 vaten per dag.

Tot ergernis van Unita kan het MPLA de enorme winsten uit de oliewinning voor eigen doeleinden aanwenden. Unita wil een aandeel en daarom braken er eind vorig jaar, ondanks het vredesproces, kortstondig weer gevechten uit bij Soyo. De belangen zijn enorm. In 1994 incasseerde de MPLA-regering 2,9 miljard dollar uit de olie. Sinds de hervatting van de oorlog in 1992 spendeerde de regering 3,25 miljard dollar aan wapens. Officieel is er nu vrede maar de regering blijft het merendeel van haar inkomsten uit de oliewinning gebruiken voor de aankoop van nieuwe wapens.

(Dit is het tweede deel van een serie over Angola. Het eerste artikel verscheen op maandag 1 april in deze krant).

    • Koert Lindijer