Het plan, niet de plant

Zonnebloemen worden steeds populairder in Nederland. En dus deponeerde zaadveredelingsbedrijf Van der Have B.V., uit het Zeeuwse Rilland, onlangs een vergunningsaanvraag bij het ministerie van VROM. Het bedrijf wil proeven gaan doen met transgene zonnebloemen. Want zonder genetische aanpassing floreren zonnebloemen niet in het klimaat van Noordwest-Europa.

Van der Have wil in totaal vijftig genen testen. Normaal gesproken betreffen vergunningsaanvragen één gen, of enkele. Van den Have's aanvraag leidde dus tot complicaties. “Uit de aanvraag blijkt niet of Van der Have al die genen in één plantenlijn wil combineren, of dat er variërende setjes van een aantal genen in zonnebloemen worden gebracht”, oordeelt dr. Hans Bergmans, secretaris van de Commissie Genetische Modificatie (COGEM), die VROM adviseert over de technisch-wetenschappelijke haken en ogen van aanvragen. “Daarmee doorbreekt deze aanvraag als eerste de stelregel dat de beoordeling altijd een duidelijk omschreven transgene plant moet betreffen. Het gaat dit keer om een plan, niet om een plant.”

Het uiteindelijke advies dat de commissie begin dit jaar uitbracht was positief, zij het dat ze bezwaar maakt tegen manipulatie van een aantal genen: die voor mannelijke steriliteit en voor de beïnvloeding van de morfologie, omdat er onvoldoende gegevens zijn over hun werkingsmechanisme.

Wilde zonnebloemen

Ook het gecombineerd gebruik van genen voor herbicide-resistentie (tegen onkruid) keurt de commissie af. Bergmans: “Tegen de overige 41 genen maken we geen bezwaar, omdat het hier gaat om een zeer kleinschalig veldexperiment met een biologisch ingeperkt gewas. Dat wil zeggen dat het gewas niet zal uitkruisen omdat je in onze vrije natuur geen wilde zonnebloemen vindt. Ook uitkruising met de verwante aardpeer zal niet plaatsvinden. Dat kan alleen door menselijk ingrijpen.” Volgens de commissie zullen “in de toekomst complexe aanvragen eerder regel dan uitzondering zijn”.

Proeven met transgene planten nemen toe in aantal, omvang en complexiteit. Naast de 'grote zes' - tabak, aardappel, maïs, tomaat, sojaboon en koolzaad - raken de laatste jaren ook andere gewassen in de belangstelling van de zaadveredelaars. Bijvoorbeeld alfalfa, berk, chrysant, katoen, meloen, pompoen, suikerbiet, vlas, walnoot en zonnebloem.

En naarmate de ervaring met transgene planten toeneemt, blijken de regelgevers hun teugels te vieren. Sinds 1987 kent Amerika een toelatingsprocedure voor het doen van experimenten met transgene planten. Europa volgde drie jaar later met de richtlijnen 90/219, bedoeld voor experimenten in kassen, en 90/220 voor veldproeven.

In 1993 versoepelde de Amerikaanse Animal and Plant Health Inspection Service (APHIS) zijn regelgeving. Voor zes gewassen (maïs, katoen, aardappel, sojaboon, tabak en tomaat) creëerde de instantie een versnelde procedure. Krijgt iemand binnen dertig dagen na het versturen van de aanvraag geen antwoord van de APHIS, dan mag hij met zijn experimenten beginnen. Bij de normale procedure moet de aanvrager al gauw een half jaar op goedkeuring wachten. Vorig jaar augustus deed de APHIS een voorstel voor nog verdergaande simplificatie en ook dat is goedgekeurd. Het betekent dat zo'n beetje alle aanvragen voor proeven met genetisch gemodificeerde planten het snelle traject doorlopen. De toelating van transgene planten versnelt hierdoor aanzienlijk.

Op Europees niveau bestaat zo'n snel traject nog niet. Binnen het kader van 90/219 en 90/220 hanteert ieder land zijn eigen regelgeving. Engeland kent bijvoorbeeld wel een fast track procedure voor een aantal gewassen. Bergmans: “In Nederland ligt iets dergelijks niet op papier vast, maar ook hier worden sommige aanvragen automatisch sneller behandeld. De transgene aardappel van het bedrijf Avebe is een goed voorbeeld. Die is inmiddels zeer uitgebreid bestudeerd. Een nieuwe aanvraag met betrekking tot deze aardappel doorloopt de procedure vanzelf sneller.”

In 1990 vroeg Avebe om toestemming voor het ontwikkelen van een zogenaamde amylopectine-aardappel. In zo'n aardappel vormt zich door een kleine aanpassing in het DNA alleen het zetmeel amylopectine en geen amylose. Dat biedt een groot voordeel bij de verwerking. Bij verhitting zorgt amylose namelijk voor klontering, hetgeen bij verwerking in bindmiddel of in soep-uit-een-zakje niet praktisch is. Normaal gesproken wordt deze ongewenste zetmeelvariant via een chemische bewerking verwijderd. Die stap kan bij de gemodificeerde aardappel achterwege blijven.

Het ministerie van VROM keurde Avebe's aanvraag goed. In 1991 begon het bedrijf met kasexperimenten. De richtlijnen voor dit zogenaamde 'ingeperkt gebruik', zijn terug te vinden in een dikke handleiding, samengesteld door de COGEM. De richtlijnen vertellen precies aan welke beveiligingen een kas moet voldoen.

PK-III kassen

Experimenten met schimmels en virussen vinden over het algemeen plaats in streng beveiligde, zogenaamde PK-III kassen. De toegang tot zo'n kas bestaat uit een luchtsluis met aan weerszijde twee deuren. In de sluis is een douche aangebracht. De ramen van de werkruimte (kas met aangrenzende gangen en voorbereidingsruimten) zijn dicht en afgekit, de vloer is waterdicht, de kas is voorzien van een ventiliatiesysteem en er kunnen geen insecten binnen komen.

Avebe voerde de experimenten met de amylopectine-aardappel voornamelijk uit in de licht beveiligde PK-I kassen. De belangrijkste beveiliging is dat dit type kas insecten buiten houdt zodat er geen transgeen stuifmeel buiten de kas belandt. De toegangsdeur van de kas is voorzien van een biohazard-teken en de namen van de in de kas aanwezige plantensoorten.

In 1993 plande Avebe de eerste veldproeven. De COGEM verplichtte het aardappelverwerkingsbedrijf om tijdens die experimenten een aantal zaken op te helderen. Kruiste de transgene plant uit met verwanten in de vrije natuur? Veranderde er door de genetische ingreep iets aan het gehalte van de giftige glyco-alkaloïden die zich ophopen in de aardappelschil? Welke informatie bevatte het ingebrachte gen precies en in welk gedeelte van het plantengenoom kwam het terecht? “Avebe heeft al die vragen bevredigend beantwoord. Voor ons is er geen reden om grootschalige productie van deze aardappel tegen te houden”, aldus Bergmans. “Avebe bezit transgeen pootgoed voor 600 hectare. Dat gaat volgende maand de grond in. Ze verwachten een opbrengst van zo'n vijfduizend ton amylopectine.”

Het voorbeeld van de aardappel schetst de typische case-by-case en step-by-step benadering. Case-by-case wil zeggen dat iedere plant-gen combinatie goedkeuring vereist. Brengt een veredelaar met succes een gen voor herbicide-resistentie in een tabaksplant, dan mag hij hetzelfde gen niet zomaar in een tomaat zetten. Ook daarvoor heeft hij goedkeuring nodig, en ook daarvoor moet hij het hele traject stap voor stap doorlopen. Overheden zullen die case-by-case benadering langzaam maar zeker verlaten. De experimenten die Van der Have wil doen met zonnebloemen zijn daarvan het eerste teken. “Een bedenkelijke ontwikkeling”, vindt prof.dr. Lucas Reijnders van de Stichting Natuur en Milieu. “De rechtvaardiging van veldproeven wordt maar weinig begeleid door deugdelijk wetenschappelijk onderzoek. Zeker wat betreft de ecologische effecten op de lange termijn maak ik me zorgen.”

Als voorbeeld noemt Reijnders herbicide-resistentie. Door genetische modificatie zijn planten ongevoelig gemaakt voor de bestrijdingsmiddelen glufosinaat-ammonium en glyfosaat. Beide zijn totaalherbiciden: ze vernietigen een breed scala aan onkruiden. “En beide spoelen uit naar het grondwater. Hun concentratie ligt nu al boven de toelaatbare EU-norm: die van glyfosaat met een factor twee tot drie, die van glyfosinaat-ammonium met een factor tien. Als onkruidbestrijding steeds meer gaat steunen op deze twee middelen, zal die concentratie zeker niet omlaag gaan. Bedrijven die zowel de herbicide-resistente planten als de bestrijdingsmiddelen leveren, beweren dat het herbicidegebruik zal dalen. Ze hebben daarvoor echter geen harde aanwijzingen.”

Hetzelfde geldt volgens Reijnders voor het inbouwen van insectenresistentie. “Veldproeven moet je niet beginnen voordat je duidelijk hebt of insecten op hun beurt ongevoeligheid kunnen ontwikkelen tegen de transgene eigenschap. Dat is echter helemaal niet aan de orde geweest.”

Ook het gevaar van uitkruising is een omstreden onderwerp. Cultuurgewassen zoals asperge, raap, witlof, wortel en sla kruisen gemakkelijk uit met hun wilde verwanten. Koolzaad, raapzaad, radijs en biet doen dat af en toe. “De vraag is niet óf er uitkruising plaatsvindt, maar wàt er uitkruist”, zegt dr. Willem Stiekema van het Wageningse Centrum voor Plantenveredelings- en Reproductieonderzoek. “Ik denk dat je elk nieuw aspect van geval tot geval moet bekijken en beoordelen. Zoals dat nu ook gebeurt. Ik heb de indruk dat de COGEM daarin zeer zorgvuldig te werk gaat.”

De vereenvoudiging van procedures is volop gaande. Zelfs een land als Duitsland, doorgaans zeer terughoudend wat betreft transgene experimenten, versoepelde de regels afgelopen februari. Het is een proces dat zich zal doorzetten. COGEM-secretaris Bergmans: “Een deel van de regelgeving zal nodig blijven, maar de regels die we nu hebben voor genetisch gemodificeerde organismen zullen op termijn zo goed als helemaal verdwijnen.”