'Het láátste dat de universiteit moet doen is loopbaanplanning'

De Rijksuniversiteit Leiden is begonnen aan een uniek zelfonderzoek. In alle openheid bekijkt een commissie van hoogleraren de kwaliteit van het wetenschappelijke werk.

Een röntgenfoto van het Leidse wetenschappelijke onderzoek. Dat was de opdracht aan de 'werkgroep Kwaliteit', bestaande uit vooraanstaande Leidse hoogleraren. Na de bestuurscrisis van 1994 wilde het college van bestuur de Rijksuniversiteit scherper profileren als 'top-universiteit', door strengere eisen aan studenten èn aan wetenschappers.

Gisteren werd voor vijf faculteiten het eerste kwaliteitsoordeel aan het college van bestuur aangeboden. De kritiek is subtiel geformuleerd, maar zal door de betrokken goed worden begrepen. “Iedere bijzin heeft betekenis”, heeft rector magnificus Leertouwer al gezegd. Zo'n 150 projecten werden van plusjes en minnetjes voorzien, op een schaal van vijf, van ++ (ver boven het gemiddelde) tot (ver onder het gemiddelde).

Een dubbele plus kregen 32 onderzoeksprojecten, eenzelfde aantal kreeg één of zelfs een dubbele min. Zo bleek het onderzoek in wijsbegeerte 'kleinschalig en nogal gefragmenteerd'. En de kwaliteit bij sociale wetenschappen is 'heterogeen': 11 van de 43 sociale onderzoeksprojecten kregen een min. En zelfs bij de beste projecten 'voldoet een aantal individuele onderzoekers niet aan de standaard', zoals bij politicologie. Het college van bestuur moet nu verder beslissen over wat er met de conclusies zal gebeuren.

“Ik heb de laatste maanden geweldig wakker geleden”, bekent de voorzitter van de werkgroep, emeritus-hoogleraar J.H. van der Waals (75). Hij was 22 jaar hoogleraar experimentele natuurkunde in Leiden, van 1967 tot 1989, daarvoor werkte hij bij het Shell-laboratorium. Hij is ondere andere voorzitter van de commissie die namens de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW) 'onderzoeksscholen' beoordeelt. “Ik dacht: doen we met onze oordelen die wetenschappers geen onrecht?” Maar Van der Waals merkte dat het oordeel over vakgroepen telkens bevestigd wordt, of je nu naar de verdeling van NWO-subsidies kijkt (van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) of naar de internationale Citation Index. “De wegwijzers wezen gelukkig toch meestal wel dezelfde kant uit.”

Wat is u bij uw onderzoek het meest opgevallen?

Van der Waals: “Het absolute belang van mobiliteit, van de komst van mensen van buiten. Van de onderzoeksprojecten van scheikunde hebben we er bijvoorbeeld vijf beoordeeld met een plus, of met een dubbel-plus. Allemaal plaatsen waar iemand van buiten is gekomen. En bij de rest is dat juist niet zo, op een klein uitzonderingetje na misschien. Dat is de dynamiek van de creativiteit. We hebben dat ook gezien in het verloop van de internationale citaties. Leidse wetenschappers bedenken iets moois en dat wordt dan ook flink geciteerd. Dat zaakje loopt door, en de citatie-index zakt langzaam in. Totdat er een nieuw iemand bijkomt in die groep. Tjoep! De index gaat weer omhoog. Zo werkt dat. En dan moet je niet zeggen: die nieuwe man is knapper of zo - dat is onzin. Je hebt gewoon vernieuwing nodig, anders wordt het saai.

“Over de scheikunde schrijven we enigszins subtiel dat die 'in het bewustzijn van eigen kwaliteit vrijwel steeds voor interne benoemingen heeft gekozen'. En dat merk je: op langere termijn werkt dat ongunstig. Inteelt klinkt zo rot, want het zijn wel behoorlijke mensen. Maar ze hebben één soort gedachtenpatroon, dat te weinig met de tijd is veranderd. In het verstandige buitenland - Amerika, Duitsland - word je tot mobiliteit gedwongen. In de goede Amerikaanse universiteiten mag je niet blijven zitten waar je bent gepromoveerd. En in Duitsland mag je uit de aanwezige staf niet de nieuwe professor benoemen.”

Er is veel discussie over het universitaire personeelsbeleid. Ritzen en ook de meeste universiteiten willen de ambtelijke status kwijt. Alles moet flexibeler. Is dat een oplossing?

“Eh, tja, zo simpel is het natuurlijk niet. In Amerika krijg je heus bij Harvard wel een vaste aanstelling als je heel goed bent. Zo gaat dat op een vrije markt, anders ga je naar een ander. Maar het omgekeerde is ook verkeerd. Ik was laatst bij een KNAW-bijeenkomst met veel jonge alfawetenschappers. Die zeiden: 'we zitten nou in die wetenschap, je kunt ons niet weer afdanken. Wij hebben recht op een universitaire loopbaanplanning'. Dat is het láátste wat de universiteit moet doen, loopbaanplanning. Je moet juist niet iemand een vaste carrière voorspiegelen, dan consolideer je het bestaande, dan beperk je de bewegelijkheid.”

Sommige passages in het rapport zijn verbazingwekkend. Bijvoorbeeld dat het voor de faculteit van sociale wetenschappen lastig bleek om een actuele lijst van vaste medewerkers met een onderzoekstaak vast te stellen. Hoe is zoiets mogelijk?

“De democratische cultuur. Er zitten daar veel mensen die officieel onderzoek doen, maar in werkelijkheid nauwelijks. Bij natuurkunde zit ook zo iemand, maar die staat allang niet meer als onderzoeker op de lijst. Die man geeft ongelofelijk goed college en heeft een extra zware onderwijstaak. Dat is heel waardevol. Maar in de sociale wetenschappen hebben ze allemaal recht op een vast percentage onderzoek, 40 procent geloof ik. En zo wordt de fictie gehandhaafd dat meneer X in die onderzoekstijd even goed bezig is als meneer Y. Terwijl je meneer Y beter een beetje meer vrij kunt geven voor onderzoek, want die presteert geweldig. Ook de AIO's worden daar voornamelijk verdeeld volgens de volkswil. En zo komen die jongens en meisjes soms terecht bij begeleiders waar ze grote kans hebben om vast te lopen, gewoon omdat hun begeleider niet goed genoeg is. Sociale wetenschappen waren in de jaren zeventig ontzettend in de mode, en toen is jan en alleman aangesteld. Daar is niet bepaald een Ajax ontstaan dat de Europacup wil winnen. In ons rapport over sociale wetenschappen staat dat subtiel aldus verwoord: 'het is daarom van groot belang tot een herverdeling van de beschikbare onderzoekstijd te komen en het personeel aan wie een onderzoekstaak wordt toevertrouwd strenger te selecteren'.”

Waarom lukt zo'n rationele verdeling van onderzoekstijd bij natuurkunde wel?

“In de beta-wetenschappen speel je echt mee met een internationale competitie. Wat niet internationaal mee kan, is weg. Wiskunde is op de hele wereld hetzelfde, natuurkunde ook. Je wordt sneller door de buitenwacht tot de orde geroepen. Met sociologie of vrouwenstudies is dat niet zo. Bij letteren zie je dat ook: 24 vakgroepen, met allemaal schotjes ertussen. Enorme verschillen: mensen in een geweldig isolement maar ook wetenschappers waarvan je denkt: 'daar moet Nederland het van hebben'. Maar het zijn allemaal heel afzonderlijke plantjes.”

Is onderzoek wel te coördineren van bovenaf?

“Er zijn nu in ieder geval veel te veel bobo's en te weinig spelers. Er wordt wetenschapsbeleid gemaakt door de minister, door de KNAW, door NWO, de VSNU, de adviesraad voor wetenschap en technologie en sinds kort ook de overlegcommissie verkenningen. Het is echt een plaag. Je moet aan iedereen rapport uitbrengen. Neem Zürich, de Eidgenössische Technische Hochschule. Daar krijgt een hoogleraar een dubbel salaris, maar de grootste attractie is dat je veel geld krijgt voor onderzoek en vervolgens vijf jaar met rust wordt gelaten. En pas dan wordt er gekeken: wat heeft u allemaal gedaan? Alleen al in de scheikunde zijn er de laatste jaren drie Nederlanders heengegaan! En dan reist er een ambtenaar van het ministerie naar Zürich om te vragen waarom dat is. Tja. Je moet mensen goed verantwoording laten afleggen, maar dan moet je ze weer een poos met rust laten.

“Maar over het principiële punt: nee, je kunt fundamenteel onderzoek niet sturen. Een goed voorbeeld vind ik altijd de ritssluiting. Een knopenfabrikant - geplaagd door agressieve wasmiddelen - vraagt zijn researchafdeling nieuwe metalen te bedenken, betere lakken, maar zo ontdekt hij nooit de ritssluiting. Een nieuw idee komt bijna altijd uit onverwachte hoek. Neem de transistor. Om die te bedenken moest je echt in een heel andere richting gaan denken dan die oude radiobuizen. Philips was geweldig goed in radiobuizen en ook in de vaste-stoffenfysica. En toch hebben ze de transistor niet ontdekt.

“De overheid kan wel een keuze maken tussen vakgebieden. Bijvoorbeeld tussen elementaire-deeltjesfysica en oppervlakte-natuurkunde - surface science, erg belangrijk voor chips maar ook voor katalyseprocessen in de chemische industrie. Het is redelijk dat de minister voorkeur heeft voor 'surface science' op grond van dat soort overwegingen. Wetenchapsintrinsiek kun je zo'n keuze niet maken, net zo min als je kunt kiezen tussen vaderlandse geschiedenis en organische scheikunde.”

Wat moet er nu met uw conclusies gebeuren?

“Dat is aan het college van bestuur. Maar vergis je niet: wat hier over scheikunde staat, dat weet scheikunde heus wel. Ze kunnen dit als breekijzer gebruiken om wat te doen. Wat ze bij sociale wetenschappen gaan doen, weet ik niet. Ik ben bang dat die geweldig gaan zeuren over de criteria.”

Maar mensen ontslaan is toch vrijwel onmogelijk?

“Ja, dan zou je hele afdelingen tegelijk moeten opheffen. Aan de andere kant, als je echt druk op iemand gaat uitoefenen; dat is een naar iets, hoor! Dan zoeken mensen vaak wel wat anders. En ik begrijp dat het menens is bij sociale wetenschappen. En verder kun je natuurlijk gewoon taken gaan herverdelen. Je kan van sommigen gaan eisen dat ze meer onderwijs geven, meer werkgroepen begeleiden. Zodat anderen meer onderzoektijd krijgen.”

Kan zo'n 'grote schoonmaak' leiden tot echte topinstituten?

“Nee, en zeker niet op korte termijn. Topinstituten kun je niet bestellen, die ontwikkelen zich heel langzaam onder leiding van inspirerende leiders. Vaak vergeet men dat het niet voldoende is om een paar prominente wetenschappers bij elkaar te brengen met een zak geld. Je moet ook de meest begaafde promovendi van elders weten aan te trekken. In Nederland heerst nog altijd het recht op 'gelijke ontwikkelings mogelijkheden' voor al onze universiteiten. Het universitaire onderzoekslandsschap in Nederland is daarom een niet onaardige hoogvlakte: weinig echte toppen, weinig dalen. Het verschil valt al op als je in Harvard, MIT of aan de Ecole Normale in Parijs een laboratorium binnenstapt. Dat daar de professor redelijk beroemd is, och, dat weet je wel. Maar de jongens en meisjes die er werken zijn bloedjong, heel competitief èn ontzettend intelligent. Daar heb je een drive: 'we zitten in een topteam en we gaan het maken'. Hier in onze laboratoria zijn het allemaal aardige jongens en meisjes, maar overal wel een zelfde soort van doorsnee. En te veel gaan er al om half zes naar huis. Als je dus echt de top wil bevorderen, moet je de elite gaan selecteren. Maar daar wil men in Nederland niet aan. Want dan moet je wieden, dingen doen. Wetenschap is net als sport en muziek: als je het goed wilt doen moet je met goede mensen spelen.”

    • Hendrik Spiering