Het dialect is een veel kortere weg naar de ziel

Hoe komt het dat er dikwijls, meestal door Randstedelingen, zo denigrerend wordt gedaan over dialect? Kan het zijn, oppert Anne van der Meiden, dat het hen steekt dat het Hollandse conglomeraat van dialecten nooit echt is doorgedrongen tot in alle hoeken van het land. Taaleenheid blijkt een hardnekkige mythe.

Zeker als het om taalkwesties gaat, zijn, zo is mijn ervaring, Hollanders die eentalig zijn opgegroeid soms fanatiek en argwanend. Ik begrijp dat ook wel, want het is wat moeilijk te verwerken dat er in dit land enkele miljoenen mensen leven die er niet aan denken het Nederlands als (enig) communicatie-instrument voor dagelijks gebruik te hanteren. Zij hebben een moedertaal en wensen die te gebruiken wanneer zij dat willen.

Ook mensen die behalve het Nederlands ook de drie moderne talen kennen en misschien nog wel enkele andere, spreken onderling bij voorkeur hun modersproake. In de afgelopen jaren is het mij duidelijk geworden dat de tweetaligheid aan de eentaligen nauwelijks uit te leggen is. Daarover kun je beter met Belgen praten dan met Hollanders.

Die tweetaligen behoren voor een deel tot de groep die valt onder de eerste regel van de column Dialectologie van Beatrijs Ritsema (in de krant van 6 maart). Zij schrijft: “Je kunt mensen niet dwingen tot een bepaald taalgebruik”. Toch wel en dat gebeurt waarschijnlijk nog steeds.

Het Nederlands is aan vele honderdduizenden kinderen van mijn generatie op school gewoon opgelegd. Nederlands was de taal van het gezag, geleerd door onderwijzend personeel uit Holland. Je hoorde Nederlands in de kerk, op school, van familie uit Holland. Het gewone leven was echter, gelukkig en vertrouwd, in de moedertaal geregeld.

Dat gebeurde toen wij kinderen waren in het 'stijfkoppige' Twente. Wij moesten tijdens de schoolmaanden van halfnegen tot vier uur 's middags een andere taal leren en spreken. Er waren zelfs hier en daar lijfstraffen verbonden aan het uitspreken van Twentse woorden, maar het werd ons gelukkig heel positief ingescherpt dat we het Nederlands vlekkeloos dienden te beheersen. Wij werden dus tweetalig grootgebracht. Ik ben voor deze verrijking nog steeds dankbaar.

Om dit juk beter te leren dragen werden wij op het Enschedees Lyceum getroost door een leraar Nederlands, W.L.M.E. van Leeuwen. Hij was bekend als schrijver van vele boeken op het gebied van de Nederlandse letteren. Van hem heb ik drie jaar lang op hoog niveau Nederlandse taal en letterkunde geleerd. Hij bracht ons liefde voor die taal bij en die koester ik nog steeds.

Hij waarschuwde ons tevens het dialect niet te veronachtzamen, want hij meende dat kinderen die tweetalig opgroeien het Nederlands beter leren beheersen dan de 'eentaligen'. Ik heb het niet onderzocht, maar in de praktijk van het onderwijs heb ik nooit enig spoor van achterstand gezien ten aanzien van het Nederlands bij studenten die tweetalig waren opgevoed. Zo'n achterstand zou ook moeten blijken uit bijvoorbeeld lagere cijfers voor het opstel eindexamen VWO over heel Nederland vergeleken, maar ook daarover heb ik nooit iets vernomen.

Het moet de randstedelijke Hollanders wel eens steken, dat hun conglomeraat van mooie dialecten, ooit tot taal van het land verheven door onder meer de Statenbijbel, nooit echt doorgedrongen is in de diepere lagen van de harten van enkele miljoenen vaderlanders. Zij spreken dialect en daar zit het woord dialoog in.

Ik vermoed dat al vanaf het midden van de zeventiende eeuw vanuit het Hollandse geroepen werd dat de streektalen moesten en zouden verdwijnen, maar van die verdwijn-voorspellingen zijn wel meer hilarische voorbeelden te noemen. Ze gaan gewoon niet door. Het is nog steeds een hardnekkige mythe dat een deel van onze bevolking echt Nederlands spreekt en het andere deel nog in de betreurenswaardige achterlijkheid van de streektal moet communiceren.

Misschien troost het, als we weten dat er in Friesland weinig het officiële Fries gesproken wordt en in het Nedersaksische taalgebied - tot ver in Duitsland strekkend - evenmin zoiets als een officieel Nedersaksisch bestaat. Die taaleenheid is er helemaal niet. Wie wel eens naar de debatten in 's lands vergaderzaal luistert, weet dat ook daar een rijke gevarieerdheid van het Nederlands gepraktiseerd wordt.

Laten we het elkaar niet te moeilijk maken en tegen elkaar zeggen dat we ons zo goed mogelijk moeten uitdrukken in een taal die we in elk geval verstaan, wellicht minder goed schrijven, maar allemaal redelijk kunnen lezen. Verder zijn we nooit gekomen en zullen we waarschijnlijk ook niet komen. Of dat Algemeen Beschaafd is, naast het Bijzonder Onbeschaafd of zoiets, weet ik niet.

Het Nedersaksisch - ik ben vooral in de Twentse variant geïnteresseerd - is al lange tijd onderwerp van wetenschappelijk onderzoek. Per slot van rekening spreekt men over een taalgebied van circa 12 miljoen mensen, van wie naar schatting 1,5 à 2 miljoen in Nederland zelf.

De betreffende leerstoel Nedersaksisch is al decennia lang gevestigd aan de Universiteit van Groningen en bezet door geleerden als K. Heeroma en H. Entjes. Ook nu nog kan men steeds in het vak afstuderen. Het onderzoek dat daar verricht is en wordt, valt naar ik aanneem niet onder termen “kneuterigheid waar men wee van wordt”, die Ritsema gebruikt.

De opbloei van de streektalen en varianten is inmiddels opmerkelijk. Er is dan ook geen sprake van een sterfhuisconstructie. Er worden, om een voorbeeld te noemen, zelfs cursussen streektaal gegeven voor verplegend personeel in het oosten van het land om de streektaal te leren, teneinde met mensen op het ziekbed of in het bejaardencentrum in de eigen taal beter te kunnen communiceren. Daar zit geen ziekelijk fanatisme achter, maar de behoefte door te dringen tot de mens in zijn eigen cultuur.

Dat zat ook achter het benoemingsbeleid van pastoors in grote delen van ons land, toen de keuze nog redelijk groot was: men benoemde graag geestelijken die uit de streek zelf waren voortgekomen. De weg naar de ziel via het dialect is korter dan via het Nederlands. Bijna veertig jaren ervaring in het preken in de streektaal heeft mij dat geleerd.

Verbaasd heeft mij de opmerking van Ritsema over de literaire produktie van de Nedersaksers. Er is nooit iets in het Nederlands vertaald, klaagt zij, dus zal het wel niks wezen. Dat is een buitengewoon arrogant standpunt.

In de eerste plaats: als u het lezen wilt, leert u de taal maar, alleen al omdat het een in Nederland gesproken taal is. Maar zo'n antwoord is natuurlijk te arrogant. Daarom geef ik liever het antwoord van een oude Twentse auteur, die eens tegen mij zei: “Ik zal nooit toestemming geven dat mijn gedichten in het Nederlands worden vertaald, want dat kan niet, dan gaan ze dood. Die taal is te arm voor mijn gedichten.” Inderdaad, wanneer komen we eens van de dwaze gedachte af, dat alles wat er in ons land gesproken wordt, behalve dan het Fries, akelige en boerse derivaten van die Nederlandse taal zijn? Of een verbasterd Duits!

Inderdaad, een groep intellectuelen bemoeit zich met de consolidatie en verrijking van het taalgebruik in het Nedersaksisch. Op alle mogelijke fronten. De laatste jaren zijn er bijvoorbeeld bijbelboeken in het Drents en het Gronings verschenen. Sinds enkele jaren houd ik mij bezig met de vertaling van het Nieuwe Testament in het Twents, onder toeziend oog van onder meer echte Tukkers, theologen, graeci, neerlandici en germanisten.

Op 25 oktober wordt het eerste deel van het NT in Delden aangeboden. Als Ritsema er is, krijgt ze ook een exemplaar. Als ze het lezen wil natuurlijk. Ze kan zo naar Delden rijden, want Nedersaksen zijn niet zo dol op naambordjes of gemeenteraadsstukken in hun moedertaal. Het zijn nuchtere mensen.