De intrinsieke waarde van een knock out-proefdier

De commotie rond stier Herman heeft in Nederland 's werelds strengste wetgeving voor genetisch veranderde proefdieren opgeleverd. Onderzoekers vrezen dat nu het onderzoek naar belangrijke ziekten vertraging oploopt. Maar de Dierenbescherming eist respect voor het dier.

Over genetisch veranderde planten leken zich in de jaren tachtig alleen de 'Ziedende Bintjes' druk te maken. De zaadveredelaars hielden zich jarenlang aan tijdrovende regels, maar voor hen worden ze nu versoepeld.

Mag een onderzoeker in Nederland in een muis een gen veranderen?

Nee, het mag niet, zegt de gewijzigde Wet op de dierproeven die vorig jaar door de Tweede Kamer is aangenomen en nog op goedkeuring van de Eerste Kamer wacht. Tenzij een erkende dierexperimentencommissie zegt dat het dier niet te veel lijdt, afgewogen tegen het belang van het experiment.

Maar de dierexperimentator heeft bij transgenese (het overbrengen van een gen van de ene diersoort naar de andere) niet alleen met de dierproevenwet te maken. Ook in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren staat het 'nee, tenzij'-principe. De welzijnswet verbiedt het zonder vergunning genetisch veranderen van dieren - als dat niet met traditioneel fokken gebeurt. En ook hier kan de genmanipulator door de mazen van de wet heen: manipuleren mag als de genenoverdracht ethisch door de beugel kan (waarbij voordelen voor de mensheid of de wetenschap afgewogen worden tegen nadelen voor het veranderde organisme). De minister van landbouw kan een vergunning verlenen. Hij laat zich adviseren door de Commissie Biotechnologie bij Dieren. Deze commissie is een landelijke commissie die los staat van de lokale dierexperimentencommissies.

Met twee goedkeuringen op zak is de onderzoeker die bij een muis een ander gen wil inbouwen er nog niet. De milieuaspecten worden nog beoordeeld in het kader van de Wet milieugevaarlijke stoffen, en wel door de (ook landelijke) Commissie Genetische Modificatie (COGEM).

Dereguleren

Drie commissies van drie ministeries om onderzoeksplannen goedgekeurd te krijgen - het is te veel van het goede en vraagt om deregulering. Dat vinden de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW), de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Vereniging Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties, de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenverenigingen en een aantal collectebusfondsen zoals de Hartstichting, de Kankerbestrijding, de Nierstichting en het Diabetesfonds. Bij elkaar veertien organisaties schreven eind februari een brief naar premier Kok: “Toepassing van het 'nee, tenzij'-beginsel op wetenschappelijke experimenten met genetische modificatie van dieren is uniek in de wereld en plaatst het Nederlandse onderzoek en de daarbij betrokken onderzoekers internationaal in een geïsoleerde positie die ernstige schade dreigt toe te brengen aan het gezondheidsonderzoek en daarmee uiteindelijk aan de gezondheidszorg in ons land.” De meeste onderzoekers vrezen niet zozeer voor afwijzing van hun voorstellen maar vooral voor vertraging in het onderzoek.

De organisaties vragen om collectieve vrijstelling voor fundamenteel medisch onderzoek bij transgene muizen en ratten. De Dierenbescherming, de Stichting Natuur en Milieu en de Alternatieve Konsumentbond vinden de vertraging niet zo erg. Zij willen in het belang van het dier een zorgvuldige ethische afweging. Michiel Linskens, bioloog en beleidsmedewerker bij de Dierenbescherming: “Genetische veranderingen bij dieren zijn zeer controversieel. Wij hebben een NIPO-enquête laten uitvoeren waarbij 41 procent van de ondervraagden zich zonder meer tegen verklaart. Van de 33 procent twijfelaars is 63 procent voorstander als het om medische experimenten gaat. Onze conclusie daaruit is dat zeker de helft van de Nederlanders tegen genetische verandering van dieren is, voor welk doel dan ook. Dat brengt een extra verantwoordelijkheid mee voor onderzoekers, in een maatschappij die zich toch al steeds drukker maakt over het lot van dieren. Er is daarom alles voor te zeggen om een ethische toetsing op het hoogste niveau uit te voeren.” Ethische toetsing houdt in dat de middelen worden afgewogen tegen het doel. Voor transgene laboratoriumdieren betekent dit een afweging van het leed dat de dieren ondervinden, tegen het nut voor het onderzoek.

Een onderzoeker die een experiment van plan is moet in het kader van de dierenwelzijnswet aangeven welk effect het dier zal ondervinden van het ingebrachte vreemde gen (bij transgenese), of van een uitgeschakeld eigen gen (de zogenaamde knock out-muis).

“Voorspellen hoe de gezondheid van een dier wordt beïnvloed kan in het moderne onderzoek meestal niet”, zegt prof. dr. D. Bootsma, hoogleraar genetica aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, “want van de meeste genen die we onderzoeken, is de functie onbekend. We weten dus ook niet wat er gebeurt als je ze uitschakelt of toevoegt aan het genetisch materiaal van een muis. In mijn groep onderzoeken we bijvoorbeeld enzymen die DNA-schade repareren. Als een gen voor zo'n enzym niet meer functioneert ontstaat er vaak kanker. De betrokken enzymen zijn nog lang niet allemaal bekend. Wij zoeken naar nieuwe genen op grond van overeenkomsten in DNA-volgorde met al bekende genen. Dat zoeken naar nieuwe kandidaatgenen is mogelijk nu in het kader van het Human Genome Project al tienduizenden genvolgorden zijn gepubliceerd waarvan de functie onbekend is. Wij halen hier bijna iedere week een gen uit de database dat volgordeovereenkomsten heeft met genen waarin we geïnteresseerd zijn. In het onderzoek gaat het nu zo dat je de ene dag een gen vindt en de volgende dag een knock out-muis begint te maken waarin dat gen is uitgeschakeld.”

Dat is de huidige praktijk, maar de wetgever houdt geen rekening met de haast van de onderzoeker. De Commissie Biotechnologie bij Dieren verwacht in zes maanden tijd een aanvraag te kunnen afhandelen.

Bootsma: “Als je zes maanden moet wachten op toestemming hoef je dat experiment niet meer te doen, dan heeft elders op de wereld een groep het al gedaan. Niemand moet denken dat we die toetsing willen ontlopen, maar het moet wel hanteerbaar blijven, we moeten in het onderzoek mee kunnen blijven doen. De wetgeving van de laatste jaren is overschaduwd door de stier Herman. Die heeft emoties losgemaakt waar wij nu veel last van hebben. Het is volgens mij niet de bedoeling van de wetgever om het onderzoek schaden. Als dat laatste de bedoeling is, heb ik liever dat het directer wordt gezegd: wij willen niet dat er nog muizen en ratten als proefdier worden gebruikt en we leggen het kankeronderzoek in Nederland stil.”

Een beetje martelen

Een onderzoek van NWO in de ons omringende landen bevestigt dat Nederland uniek is in zijn 'nee, tenzij' wetgeving. Zelfs in Duitsland, waar na het Hitlerregime ontwikkelingen in de genetica steeds tot felle maatschappelijke discussies leiden, is uiteindelijk een 'ja, mits'-wet van kracht geworden.

Linskens van de Dierenbescherming: “In de Verenigde Staten mag er meer met proefdieren dan bij ons. In andere Europese landen ook. Dat is voor ons geen aanleiding ons standpunt te herzien. Wij dragen uit naar het buitenland wat hier cultureel wordt ontwikkeld. Ja, ik weet dat onderzoekers steeds zeggen dat ze met hun groep naar het buitenland vertrekken als het hier zo streng blijft. Maar zo'n vaart zal het niet lopen. En trouwens, die toponderzoekers waar het hier over gaat hebben stuk voor stuk meestal al enige jaren in het buitenland gewerkt. En heeft dat de gezondheidszorg in Nederland geschaad? De Dierenbescherming zal altijd tegen dierproeven zijn. De Dierenbescherming behartigt de belangen van dieren. Je kunt je toch ook van Amnesty International niet voorstellen dat zo ooit goedvinden dat mensen een beetje worden gemarteld? Maar we kunnen ons voorstellen dat er na een gewenningsperiode categorieën proeven worden vastgesteld die moeten worden gemeld, maar waarvoor niet meer op toestemming hoeft te worden gewacht. Nu zijn de transgene technieken nog nieuw, de toetsing is nieuw en dan moet het eerst maar eens zorgvuldig gebeuren.”

Voor de onderzoekers is de techniek niet nieuw meer. In 1982 werd de eerste transgene muis gemaakt. Snel daarna is het transgene proefdier een onmisbaar hulpmiddel voor het onderzoek geworden. Het is dan ook de vraag of de Commissie Biotechnologie bij Dieren weet wat haar te wachten staat. Als voor iedere transgene muis en voor iedere knock out-muis een aparte aanvraag moet worden ingediend zoals de bedoeling is, dan zal de commissie enkele dossiers per week aan haar hoge ethische normen moeten toetsen. Transgene muizen zijn een onmisbaar onderdeel van het genetisch onderzoek geworden. En de genetica staat momenteel aan de basis van al het biomoleculair onderzoek.

Niet al die nieuwe muizenlijnen blijven overigens in leven. Celbioloog prof.dr. B. Wieringa van de KU Nijmegen: “Van een lijn wordt steeds een honderdtal dieren aangehouden die om de zoveel weken of maanden, afhankelijk van de behoefte aan proefdieren, worden doorgekruist. Maar als het onderzoek naar het gen stopt, is nu het streven om embryo's in te vriezen en de lijn zo te bewaren.”

Transgene muizen blijven niet eeuwig leven, maar zijn ook niet altijd ziek. Van muizen met een gen dat hen ernstig ziek maakt, worden alleen heterozygote dieren voor de fok aangehouden. Zij bezitten naast het ziekmakende gen ook nog een goedwerkende kopie. Vooral bij de knock out muizen is dan bekend dat die dieren niet, of mild ziek zijn. Kruisen van twee heterozygote ouderdieren levert dan per worp een door de erfelijkheidswetten bepaald aantal homozygote dieren die voor het onderzoek worden gebruikt. Wieringa: “Het is niet juist om te denken dat er eindeloze stallen vol krakkemikkige knock outs worden aangehouden.”

Bij Bootsma en zijn collega Grosveld in Rotterdam zijn de laatste twee jaar ongever 150 lijnen met transgene muizen gemaakt. Celbioloog prof.dr. B. Wieringa aan de KU Nijmegen heeft de laatste jaren 15 transgene muizenlijnen gemaakt: “En het neemt alleen maar toe.” Aan de Rijksuniversiteit Leiden werken onderzoekers die veel transgene muizen maken, er zijn al tegen de twintig instituten die transgene dieren maken, maar de kampioenen werken aan het Nederlands Kankerinstituut (NKI) in Amsterdam. Dr. A.J.M. Berns, hoogleraar experimentele genetica van erfelijke aandoeningen: “Als je echt alle nieuwe lijnen van transgene dieren telt, zijn het er in het NKI alleen al het afgelopen jaar een paar honderd. En nog een dertigtal knock-out muizen. Maar meestal worden om één gen te onderzoeken een aantal transgene lijnen gemaakt, want je weet van te voren niet waar en hoeveel kopieën van het gen na injecteren in het DNA van een embryonale stamcel wordt opgenomen. Een nieuw gen kan bijvoorbeeld midden in een bestaand gen terechtkomen, wat daardoor niet meer wordt afgelezen. Dat kan een verandering veroorzaken die je dan bij vergissing voor een werking van het geïnjecteerde gen houdt. Het maakt vaak ook uit of er één, of meerdere genen in het DNA van het gastdier tot expressie komen. Het is dus altijd nuttig om een paar muizenlijnen te maken om één gen te bestuderen. Maar als we voor ieder ingebracht gen een aanvraag moeten indienen dan zijn het toch nog 40 tot 50 aanvragen per jaar, nog afgezien van de knock out-muizen.”

Berns schat dat het een maand of vier duurt van vaststelling van de genvolgorde tot de eerste generatie muizen. De eerste maand gaat heen met het maken van het genconstruct. In de tweede maand wordt de muis gemaakt. Een commissie die een half jaar over een aanvraag doet, veroorzaakt dus vijf maanden vertraging. Daar is niet mee te werken volgens Berns: “Bovendien is er sprake van dat de onderzoekers een deel van de kosten van de beoordelingscommissies zouden moeten dragen. Dat zou het NKI jaarlijks drie ton kosten. Als het echt die weg op gaat is dit soort onderzoek in Nederland reddeloos verloren.”

Een beoordeling per instelling of project zou werkbaar zijn. Berns: “Het NKI is een type instituut waar alleen kankeronderzoek wordt gedaan. Transgene muizen krijgen hier kanker doordat ze erfelijk zijn belast. Dat is niet leuk, maar alle duizenden muizen die hier jaarlijks voor proeven worden gebruikt krijgen kanker. Als hier muizen sterven die geen kanker hebben, zijn we proefdieren aan het verspillen.”

Ook Bootsma pleit, pragmatisch, voor een beoordeling per project: “Wij hebben in Rotterdam drie projecten. Dat is heel wat anders dan 150 experimenten die onder die projecten vallen. Ook de lokale dierexperimentcommissies die in de Wet op de dierproeven verplicht worden, maar nu al bestaan, werken met projecten. Nieuwe experimenten melden we aan. We houden die commissie op de hoogte.”

Het liefst zou Bootsma zien dat het 'nee, tenzij' principe in de Nederlandse wetgeving wordt gewijzigd in 'ja, mits', zoals in de ons omringende landen de wet er uit ziet.

Bootsma: “ 'Nee, tenzij' zet ons in de hoek van de suspecte personen. Daar hoort de wetenschap niet thuis. Het lijkt op regels die rond euthanasie worden gesteld. Het is verboden, tenzij je aan bepaalde regels voldoet. Het gevolg is dat er niet meer wordt gemeld. Maar er is nog iets: de Wet op de dierproeven is een toonbeeld van vage wetgeving, waar de juristen tegenwoordig tegen zijn.”

In het eerste artikel van de wet staat: bij deze wet wordt de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier als algemeen uitgangspunt gehanteerd.

Bootsma: “Maar heeft iemand zich wel eens afgevraagd wat dat betekent? De intrinsieke waarde van het dier? Het begrip 'intrinsieke waarde' komt, voorzover ik heb kunnen achterhalen, van Kant, en is voorbehouden aan organismen die rationeel kunnen handelen. Het is zoiets als de waarde van een cultuur of traditie die in een levend individu is opgeslagen. Het veronderstelt de aanwezigheid van eigen ideeën. De wetgever is verkeerd bezig als zo'n begrip aan dieren wordt gekoppeld.”

Linskens van de Dierenbescherming: “Ja, dat kan best dat het begrip intrinsieke waarde van Kant is. Maar in de bioethiek heeft het in de jaren zeventig dan een nieuwe inhoud gekregen. De intrinsieke waarde is het tegenwicht van de instrumentele waarde die vaak als enige waarde aan een proefdier wordt toegekend. Je duidt ermee aan dat het dier meer is dan een middel. Het wil niet veel meer zeggen dan dat je het dier met respect moet behandelen.”

Niet bekend

    • Wim Köhler