Akkoord tijdelijk werk in 10 punten

Wat behelst het Flex-akkoord, dat nu al wordt vergeleken met het roemruchte Akkoord van Wassenaar uit 1982 (loonmatiging, winstherstel en studie naar de mogelijkheid van verdere arbeidsduurverkorting). En wie profiteren er het meest van: de werkgevers of de werknemers?

De FNV heeft het akkoord ten behoeve van haar achterban in 10 punten samengevat:

1. Arbeidsovereenkomst voor flexwerkers. Vanaf de eerste dag heeft de uitzendkracht een arbeidsovereenkomst met het uitzendbureau. De arbeidsovereenkomst is het vehikel waaraan vervolgens allerlei rechten voor flexwerkers worden gekoppeld.

2. De wettelijke proeftijd blijft twee maanden.

3. Uitzendkrachten krijgen doorbetaald als er geen werk is. Gedurende de eerste 6 maanden kan deze loondoorbetalings verplichting echter buiten werking worden gesteld. Na 6 maanden kan dat uitsluitend via de CAO. Vakbonden en werkgevers in de uitzendbranche hebben afgelopen dinsdag afgesproken dat gedurende 12 maanden het adagium “geen werk, geen loon” van toepassing is.

4. Meer mogelijkheden voor tijdelijke contracten. Na de eerste 12 maanden, waarin voor uitzendkrachten alles materieel gezien bij het oude blijft, krijgen uitzendkrachten in eerste instantie tijdelijke en vervolgens (na 18 maanden bij één opdrachtgever of na 36 maanden bij meerdere opdrachtgevers) een vast dienstverband. Dat geeft bijvoorbeeld ontslagbescherming.

5. Het vergunningenstelsel voor uitzendbureaus wordt afgeschaft en de maximale uitzendduur (was een half jaar) vervalt. Afspraken tussen werkgevers en werknemersvertegenwoordigers over de inzet van uitzendkrachten moeten ook gelden voor ongeorganiseerde werkgevers (algemeen verbindend verklaring).

6. De opzegtermijn wordt korter. Als het dienstverband minder dan 5 jaar heeft geduurd moet de arbeidsovereenkomst een maand tevoren worden opgezegd. Duurde het dienstverband tussen de 5 en de 10 jaar dan wordt dat 2 maanden, bij 10-15 jaar 3 maanden en boven de 15 jaar 4 maanden. 7. De ontslagprocedure blijft nagenoeg onveranderd, maar zal in veel gevallen minder tijd in beslag nemen. Bij ontslag via de arbeidsvoorziening wordt 1 maand afgetrokken van de opzegtermijn, met behoud van een minimale opzegtermijn van 1 maand.

8. Oproepkrachten krijgen een minimale oproepduur van 3 uur. 9. Bedingen, die stellen dat werknemers niet bij concurrenten in dienst mogen treden, zijn schadelijk voor de mobiliteit. Als uit onderzoek blijkt dat ze de flexibiliteit op de arbeidsmarkt belemmeren moeten ze worden verboden.

10. Uitzendkrachten krijgen na 26 weken recht op scholing en pensioen.

Binnenkort vertaalt minister Melkert (sociale zaken) het akkoord in wetsteksten; daarna geeft de Tweede Kamer een oordeel.