Van Mierlo deze week in Senegal en Ghana op bezoek; 'Bijdrage aan vredesbrigade nodig'

Minister Van Mierlo bezoekt deze week Senegal en Ghana. De Tweede Kamer verlangt dat hij en niet minister Pronk de minister van Buitenlandse Zaken voor Afrika is.

ILE DE GORÉE, 3 APRIL. Links lopen de welpen en rechts de gidsen. Zij vormen bij de steiger een lange haag voor de bezoekers uit Holland. Ze lachen en hebben moeite de pas erin te houden als het gezelschap met minister Hans van Mierlo (Buitenlandse Zaken) voorop de trap opgaat naar het fort. Drie eeuwen geleden liepen jonge Afrikanen hier in lange rijen van de haven naar hun kerkers op dit eiland. Om hun hals droegen zij slavenbanden die vastzaten aan een boom die over hun schouders lag.

Ile de Gorée heette in die tijd Goede Reede. Michiel de Ruyter joeg er de Engelsen weg. Dat was in 1664. In 1627 hadden de Hollanders het eiland voor de kust van Dakar en Senegal al eerder in bezit genomen toen zij de Portugezen versloegen. Vijftig jaar lang dreef de West-Indische Compagnie hier handel door voornamelijk slaven af te voeren. In de zaal van het museum zegt Van Mierlo dat de geschiedenis hem hier zwaar valt.

Hij is naar het Afrikaanse continent gegaan voor een kort bezoek omdat hij “Afrika beter wil leren kennen”. Straks gaat hij met koningin Beatrix naar Zuid-Afrika, vervolgens brengt hij een bezoek aan Oost-Afrika en dan nog aan de Maghreb-landen. Van Mierlo vindt dat Buitenlandse Zaken zich de laatste jaren wat te ver verwijderd heeft van dit continent. Minister Pronk is in dat gat gesprongen en dat noemt Van Mierlo begrijpelijk vanwege de ontwikkelingsrelatie. Zelf wil hij zich echter beter oriënteren. “Wij zijn wat te veel met de achterkant van de wereld bezig. Met de dynamiek van de snel opkomende landen in Azië en hun economie. Dat is begrijpelijk, maar Europa, en dus ook Nederland, heeft een speciale verantwoordelijkheid voor Afrika dat er slechter aan toe is! Wij hebben nu eenmaal een bijzondere relatie vanuit het verleden en het is goed hier te zien dat het heden niet vecht met dat verleden.”

In tegenstelling tot de Duitse regering typeert Van Mierlo de mensenrechtensituatie in Senegal als “over de inzinking van een, twee jaar geleden heen”. Hij meent dat vrijheden zijn beknot door de burgeroorlog in het zuiden, de Casamance. Nu is daar langzaam verbetering in aan het komen, aldus Van Mierlo.

Straks als voorzitter van de Europese Unie in januari 1997 wil hij de landen in deze regio veel aandacht geven. Senegal heeft volgens Van Mierlo “gespijbeld” bij ontmoetingen in New York over zijn voorstel een brandblusbrigade voor de VN op te richten. Hij verwacht echter dat het land én in de regio én daarbuiten met de vorming van vredesbrigades in de toekomst mee wil doen.

In het rood geverfde gevangeniscomplex krijgen de Nederlandse bezoekers op Ile de Gorée de poort te zien naar de baai. Hier begonnen de slaven aan een tocht naar de West waarvan ze nooit zouden terugkeren. Vrouwen, mannen en kinderen gescheiden. Tijdelijk moesten ze hier verblijven voor ze op transport werden gesteld. Ze werden opgesloten in gemetselde hokken van een meter tachtig bij een meter tachtig, onderkomen voor twintig slaven tegelijk. In een ruimere cel werden de Afrikanen gedumpt die onder de maat waren. “Het mooiste gewicht was zestig kilo. Daar werd door de scheepskapiteins goed aan verdiend”, zegt de gids. “Dus werden ze op het eiland eerst nog even vetgemest voor ze op de schepen werden vastgeketend, driehonderd per transport.”

Bij de ansichtkaart in een hokje bij de uitgang hangen met de hand geschreven teksten van de conservator van het Maison des Esclaves, Joseph Ndiaye: “Gorée-Dachau. Welke lange weg hebben de mensen nog te gaan om mens te worden.”

Tot slot biedt Van Mierlo na het bezoek de conservator een boek aan. Het is de catalogus van de grote Vermeer-tentoonstelling in Den Haag, vol Hollandse interieurs die in een tijd van grote veroveringen elders een serene rust uitstralen en getuigen van tevredenheid.

    • Willebrord Nieuwenhuis