Van de Meeberg laat de tragiek van Wim Kan zien

Voorstelling: Ken Kan, door Rob van de Meeberg en Nico van der Linden. Script: Lars Boom. Regie: Fred Florusse. Gezien: 2/4 in Klein Bellevue, Amsterdam. Aldaar t/m 6/4, daarna elders. Inl: 020-6129565.

Het lijkt een heilloze onderneming: een theatervoorstelling waarin de in 1983 gestorven Wim Kan ten tonele wordt gevoerd, via flarden uit conferences en liedjes, fragmenten uit de postuum gepubliceerde dagboeken en een eigen interpretatie van 's mans levensloop. Hoe zou zoiets immers ooit nog het effect kunnen hebben dat de unieke cabaretier zelf bewerkstelligde - en hoe zou vooral de man die de hoofdrol speelt, kunnen vermijden dat hij een bij voorbaat tot mislukken gedoemde, want zwakke imitatie ten beste geeft van het grote voorbeeld?

Rob van de Meeberg, de ex-cabaretier die acteur werd, benadert de fysionomie van Kan (met de bibberwangen en de onderkin) en komt ook in het timbre van zijn voordracht heel dichtbij. Af en toe is het zelfs verwarrend goed raak, met die glunderstem die de woorden eerst ronddraait in de keel en dan als klaroenstoten naar buiten brengt. Maar veel belangrijker is, dat Ken Kan niet blijft steken in de documentaire reconstructie. Niet alleen de namaak-Kan kijkt hier op Wim Kan terug, maar ook de hoofdrolspeler. Hij demonstreert wat er ongeëvenaard was aan de artiest, hij laat zien wat er aan de hand was met de man (èn met diens vrouw, die hem tegelijk kort en op de been hield) en hij ironiseert de maniertjes en de onhebbelijkheden die er óók waren. Ken Kan is niet het portret van een heilige.

Als de voorstelling begint, in een decor van schijnbaar onordelijk opgestapelde stoelen en banken die doen denken aan de barak van een Jappenkamp, speelt Van de Meeberg een conference zoals Wim Kan die nu zou houden. Over de actualiteit van dit moment, met spitsvondige grapjes en gedachten op de manier van Kan. Vanzelfsprekend hebben die, hoe bewonderenswaardig stijlvast ook geschreven, niet meer het hilarische succes van vroeger. Van de Meeberg is niet de cabaretier, maar speelt hem - en het wezen van een conference is nu juist dat ze niet wordt gespeeld, maar samenvalt met de conferencier. Maar hij weet intussen wèl te illustreren hoe die conferences in elkaar zaten. En als hij vervolgens, met het ziekbed van Corry Vonk als aanleiding, de misantroop achter het gulle lachgezicht laat zien, en de hulpeloze man die zichzelf moed inspreekt voor zijn (mislukte) oudejaarsavondoptreden van 1982 - dan krijg ik kippevel van de tragiek van een verouderd artiest die de hoge verwachtingen niet meer weet waar te maken.

Ik kan met geen mogelijkheid bedenken wat iemand, die Kan niet in zijn glorietijd heeft gezien, van deze produktie zal denken. Ik weet ook niet eens wat ik precies moet denken van een ietwat gekunsteld ogende confrontatie tussen Kan en Van de Meeberg, waarin de laatste de eerste van lafheid beschuldigt en van een alles-ontwijkende levenshouding. Het is een raadselachtig intermezzo in een voorstelling waar een fijn laagje weemoed overheen hangt, door het knappe script, de zorgvuldige regie en mede dankzij begeleider Nico van der Linden, die niet alleen het preludiërende toucher van Kans pianist Ru van Veen tot het zijne maakt, maar ook een reeks verrassend zotte bijrolletjes speelt.

Ken Kan is geproduceerd in het kader van het Amsterdams Kleinkunstfestival en is daarbuiten vooralsnog slechts sporadisch te zien. Maar het is zo bijzonder, vind ik, dat het niet de gelegenheidsproduktie mag blijven die het nu nog is.