Kruisgang van een spoorwegbeambte

Woyzeck. Regie: János Szász. Met: Lajos Kovács, Diana Vacaru, Aleksandr Porokhovschikov. In: Amsterdam, Rialto; Den Haag, Haags Filmhuis; Utrecht, 't Hoogt.

De Goede Week voor Pasen leent zich uitstekend voor de Nederlandse uitbreng van Woyzeck, de twee jaar oude, Hongaarse verfilming van Georg Büchners in 1837 geschreven toneelstuk. Het in fragmenten postuum gepubliceerde drama over de historische moordenaar uit Leipzig leent zich voor vele interpretaties. In talloze theateropvoeringen werd het filmische montagekarakter van het stuk benadrukt. Werner Herzog filmde het in 1979 als een tragedie met komische en, vooral door de titelrol van Klaus Kinski, hysterische ondertonen.

De Hongaar János Szász koos voor een sombere en sobere vormgeving in zwart-wit met veel grijze mist, subtiel gefotografeerd door cameraman Tibor Mathé. Zijn Woyzeck is een universele noodlotsfiguur, van de negentiende eeuw overgeplaatst naar het heden. De man is geen soldaat meer, maar een spoorwegbeambte, die door een geluidsinstallatie op een Oosteuropees emplacement bevelen toegesnauwd krijgt. Als de ongeschoren pechvogel, fraai vertolkt door Lajos Kovács, zijn wachthokje op de rug tegen een heuvel opzeult, onder de klanken van Pergolesi's Stabat mater, is de associatie met het Lijdensverhaal onvermijdelijk.

De transformatie van Woyzeck van militair tot geüniformeerd burger heeft misschien nog een andere achtergrond. De commandant, die Woyzeck op zijn verzoek dagelijks een scheermes op de keel zet, is nu een stationschef geworden en wordt vertolkt door een Russische acteur van het Tagankatheater.

Het zou kunnen dat Szász op deze manier verwijst naar de specifieke connotaties voor Hongaren met militaire machthebbers, die sinds 1989 eerder metaforisch dan letterlijk uitgebeeld moeten worden.

Szász' Woyzeck is een mooie, maar zware en steriele film. We zijn vooral door het werk van Béla Tarr inmiddels een beetje gewend aan de uitzichtloze somberheid van de Hongaarse filmkunst, maar het blijft een tamelijk onherbergzame cinema. De pijn van de buitenstaander, gekoeioneerd door zijn meerderen, verraden door zijn geliefde en als proefkonijn gebruikt door een louche medicus, wordt zelden voelbaar in deze vooral decoratief interessante stijloefening.

    • Hans Beerekamp