Verzoend door een dode poes

Marietje Wennekendonk (45), tolk vertaalster Nieuwgrieks. Vijftien jaar getrouwd met Bob, die zij 21 jaar kent, twee kinderen. Sinds 20 jaar bevriend met Wim Oudshoorn.

Vriendschap is in het leven van Marietje Wennekendonk heel belangrijk. Maar terwijl ze dat zegt, klinkt ook iets van reserve door. Heeft ze dat gevoel van jongsafaan gehad? “Nee”, zegt ze “Het is niet zo dat ik als kind al heel heftige vriendschappen had. Ik ben ook meer iemand die de kat uit de boom kijkt.” Marietje komt uit een groot gezin; met een van haar zusjes had ze een hechte vriendschap. En met een buurmeisje. “Die zie ik nog. Er zijn lange lijnen in mijn leven.”

Toen Marietje in Amsterdam ging studeren, moest zij het op eigen houtje zien te rooien. Het weekend thuis kletste zij de eerste tijd halve nachten door met haar zusje, maar dat hield als vanzelf op toen er andere mensen in haar leven kwamen. Met sommigen van hen verkeert ze nog steeds op zeer goede voet; met anderen heeft ze na enige tijd de draad weer opgepakt. Door verschillende levensomstandigheden kun je nu eenmaal van elkaar weggroeien. “Het hebben van kinderen speelt een rol. Dat maakt het contact met andere ouders gemakkelijker. Bob en ik hebben nu ook gezamenlijke vrienden, met kinderen, die zomaar langskomen, of met wie je met vakantie gaat.”

Maar dwars door alles heen, en anders dan alle andere relaties die ze met verschillende soorten mensen heeft, is er de vriendschap met Wim, aan wie ze toen ze hem net leerde kennen, een uitgesproken hekel had.

Wim en zij deden als enige twee aan het betreffende instituut als hoofdvak Nieuwgrieks. Marietje had er een baantje, Wim had als 'de beste student' een beurs in Griekenland. Toen hij daarvan terugkwam vond ze hem een irritant en betweterig baasje. “En hij deed alsof hij mij wantrouwde.” In de bibliotheek zaten ze, zonder een woord te zeggen, wel twee maanden lang. Tot de dag dat Bob haar belde om te vertellen dat de poes van het dak was gevallen en dood was. “Ik móest dat aan iemand kwijt, en daar was alleen Wim. Zo raakten we in gesprek.” Ze hadden de studie gemeen, merkten vervolgens dat ze van dezelfde muziek hielden en van lieverlede kwamen er steeds meer dingen waar ze over konden praten met elkaar. Marietje werd assistent op het Instituut, Wim kreeg een half jaar later ook een assistentschap en vanaf dat moment zijn ze nooit opgehouden samen dingen te doen en te organiseren. De scriptie, een Grieks cultureel festival, een cursus voor Teleac of de LOI, de redactie van het blad Lychnari. Als zij wordt gevraagd, roept ze hem erbij en vice versa. “Ik heb me afgevraagd in hoeverre hij een vriend is, of dat het komt omdat we vakgenoten, collega's zijn en elkaar op het werkgebied zo goed aanvullen. Hij is een beetje een chaoot en vol fantasie, ik ben niet zo chaotisch en heb minder verbeeldingskracht.”

Het antwoord op die gewetensvraag luidt echter volop bevestigend. Want aan welke criteria moet een vriendschap volgens Marietje voldoen? Het belangrijkste noemt ze 'een enorme vertrouwdheid en vertrouwelijkheid'. “Ons werk is denkarbeid en speelt zich altijd in een intieme sfeer, thuis, af. Met Wim kan ik lekker tantebetten, met Bob niet. Wim kan ook eindeloos luisteren, en met Bob kan ik niet op die manier over mijn vak praten.” Ze spreken ook wel over hun kleine en grotere problemen, het huwelijk en andere zaken betreffende. Ze voelen, door de zakelijke gesprekken heen, hoe hun gevoelens in elkaar zitten. Op die manier heeft ze dat maar met één andere - Griekse - vriendin, die in Griekenland woont en die ze zo nu en dan ('niet zo vaak') belt. “Op een keer vroeg ze me, dwars door een verhaal dat ik haar vertelde over geld, en rentetarieven heen: het is niet goed met je hè? En zo was het ook.”

Belangrijk in de vriendschap met Wim, een man tenslotte, is het feit dat “er geen bedreiging is.” Heel in het begin héél even, “maar we hebben nooit gevreeën; dat was en is gewoon niet aan de orde.” Bob is niet jaloers op Wim, en nooit geweest. “Het zijn twee totaal verschillende persoonlijkheden. Ze zijn geen vrienden van elkaar, er is sprake van wederzijds respect.” Wat Wims partner betreft, zegt ze dat het voor haar wel even raar zal zijn geweest. “Ik zat stevig in Wims leven toen zij verscheen. Toen ik Wim leerde kennen, had ik Bob al. Dat was gemakkelijker voor hem.”

De andere criteria betreffen een zelfde gevoel voor stijl en kwaliteit, het mooi vinden van dezelfde dingen, hun parallelle gevoel voor humor, het delen van elkaars ontroering en - niet te vergeten - de mogelijkheid elkaar uit te schelden, wat kan omdat de basis zo stevig is. “Ik kan ontzettend boos op Wim worden. Dan is hij deemoedig, of komt met een verklaring. Maar hij verandert toch niet, we maken ook altijd over dezelfde dingen ruzie.”

Onderhouden ze hun vriendschap dus voornamelijk door met elkaar te werken, ook zonder die band weten ze elkaar te vinden. Dan is er de telefoon, of een brief. “Toen mijn vader overleed, had ik Wim net een tijd niet gezien. Hij schreef meteen, een brief die me ontroerde.” Of een dagje strand met de twee gezinnen. “Van de zomer waren we samen in Camperduin, één heel groot gezin. De kinderen lijken ook wel wat op elkaar.”

Kun je stevig en lang bevriend zijn met iemand die je niet leuk vindt om te zien? Voor Marietje speelt dat niet zo'n rol, maar naar Wim kijkt ze wel graag. De twee zijn eigenlijk trots op elkaar, wat je bijvoorbeeld merkt door de manier waarop ze elkaar aan anderen voorstellen: “Dat is nou Wim.”

Noem je dit soort vriendschap nu houden van?

“Nee”, zegt Marietje beslist. “Houden van reserveer ik voor mijn kinderen, voor mijn man, voor mijn ouders of een broer en zusje. Dat zit ook niet in mijn karakter; ik ben een beetje afstandelijk, geef me niet gauw onvoorwaardelijk over. Ik ben ook maar heel weinig verliefd geweest in mijn leven.”

Wim is haar dierbaar. Dat woord komt dichter in de buurt. “Die bevriende echtparen zijn van Bob en mij samen. Wim is echt van mij. Onze relatie is volstrekt vanzelfsprekend. En onze positie in elkaars leven, die is volstekt uniek.”

    • Ite Rümke