Politieke partij moet zich niet blindstaren op regeringsbeleid

Het kabinet buigt zich over de subsidiëring van politieke partijen. Directe subsidiëring is uit den boze, want dan verworden partijen tot kliekjes van beroepspolitici, vindt Allan Varkevisser. Een vitale democratie heeft partijen nodig die fungeren als onafhankelijke verenigingen.

In het verlengde van de plannen van minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) om de geoormerkte subsidies aan de politieke partijen voor wetenschappelijk en vormings- en scholingswerk te vervangen door een directe steun aan partijen, is een discussie gestart over de rol van de politieke partijen in de parlementaire democratie.

Klop en Groenveld, van het wetenschappelijk bureau van respectievelijk het CDA en de VVD, poogden uit te leggen dat de oude situatie te verkiezen valt boven de huidige plannen van de minister (NRC HANDELSBLAD, 15 maart). Zij baseren hun conclusie op de onontbeerlijke functie van de politieke partij als afweger van het algemene belang in de representatieve democratie. Vanuit deze opvatting stellen zij dat de politieke partijen zichzelf dienen te revitaliseren ten koste van de single-issue-bewegingen.

Alle waardering voor hun pleidooi voor een revitalisering van de politieke partij zonder directe overheidssubsidie, maar bij hun analyse wil ik enkele kanttekeningen maken. Het gaat mij met name om het archaïsche beeld van democratie dat zij schetsen, waaruit een soort nostalgisch verlangen naar de tijd van de verzuiling spreekt. Revitalisering van de politieke partijen en de democratie zou echter hand in hand moeten gaan met een verandering van de politieke cultuur en mijn stelling is dat politieke partijen daarbij als onafhankelijke verenigingen een belangrijke rol kunnen spelen.

Klop en Groenveld maken een vergelijking tussen de politieke partijen en zogenaamde single-issue-bewegingen. Zij doen alsof alle politiek actieve organisaties binnen dit schema vallen. Dat is een ongelukkig misverstand. Gallagher en Van der Kolk wezen hier ook op (23 maart).

Desondanks hebben Klop en Groenveld tenminste in één opzicht gelijk: politieke partijen hebben hun eigen, onvervangbare functie in ons politieke bestel. Zij hebben evenwel ongelijk als zij veronderstellen dat partijen en actiegroepen concurrenten zijn en dat burgers de partijen de rug toekeren ten faveure van de actiegroepen. Politieke partijen en actiegroepen zijn geen communicerende vaten.

De tanende belangstelling voor het lidmaatschap van een politieke partij heeft een heel andere achtergrond dan een koele calculatie van de kant van de burger over waar het eigen belang het meest bij is gediend. Het is veeleer zo, dat burgers twijfelen aan het nut van de politieke partij omdat de partijen zozeer een verlengstuk zijn geworden van de gesloten en verbureaucratiseerde wereld van het openbaar bestuur.

Binnen de hedendaagse partijen is niet of nauwelijks ruimte voor het fundament van de democratie: een tolerant, open en openbaar debat over 'een' algemeen belang. De politieke beoordeling en de politieke verantwoordelijkheid worden ook binnen de partijen versmald tot het overheidsbeleid en percentagediscussies.

Het overheidsbeleid verhoudt zich tot het algemeen belang als de evolutietheorie tot het existentialisme: in het eerste gaat het om het overleven bij de volgende verkiezingen, in het tweede om de wijze van zijn en de eigen vrijheid en verantwoordelijkheid. Dit werd tijdens het laatste PvdA-congres nog eens onbarmhartig gedemonstreerd in de discussie over de privatisering van de Ziektewet. De principiële discussie werd niet gevoerd. De partij ligt gewoonweg aan de ketting van de eigen politieke vertegenwoordigers.

Het betoog van Klop en Groenveld - en ook dat van Bolkestein in de krant van 19 maart dat in de kern dezelfde boodschap heeft - is uitgesproken conservatief van aard. Zij streven slechts naar herstel of behoud van de oude orde, ongeacht de veranderde maatschappelijke verhoudingen. Vanuit een progressieve grondhouding is het met het oog op maatschappelijke veranderingen en dynamiek juist van belang te zoeken naar nieuwe vormen om het democratische proces te garanderen.

Politiek wordt meer en meer gereduceerd tot instrumenteel bestuurlijke en economische vraagstukken. Het gaat om aanpassingen en noodzakelijke hervormingen in het schrille licht van globale en onontkoombare ontwikkelingen. In plaats van het beoordelen van maatschappelijke ontwikkelingen in termen van wenselijkheid en het vraagstuk van sturing en beïnvloeding via de staat om bepaalde politieke idealen te verwezenlijken. Kortom, democratie verwordt tot technocratie en politieke visie tot stuurmanskunst zonder eigen koers.

Zo kom ik op een fundamenteel vraagstuk dat met de subsidiëring van politieke partijen is gemoeid. Wat op het spel staat met de vervanging van de geoormerkte subsidiëring aan de politieke partijen door een algemene subsidie is niet meer of minder dan het bestaan van de politieke partij als vereniging: als vrije associatie van burgers die zich vanwege een gedeelde visie op het (een) algemeen belang aaneensluiten in een poging de politieke, wetgevende macht te verwerven om daadwerkelijk hun idealen vorm te kunnen geven.

Een onafhankelijke partij biedt een vrije ruimte aan alle 'geïnteresseerden' - ook letterlijk: belanghebbenden - om hun visie op het algemeen belang te geven. Echter, zodra de overheid de partijen direct gaat subsidiëren, dreigt de partij een post-modern netwerk te worden van lieden die slechts een politiek ambt ambiëren. Ofwel, de partij wordt zo een broedplaats van een elite van beroepspolitici - zoals openlijk bepleit door Bolkestein - die toch minstens de verdachtmaking op zich laden van vriendjespolitiek, baantjesjagerij en - juist - belangenverstrengeling.

Er wordt de laatste tijd wel veel gesproken over 'het gedachtengoed', over beginselpartijen en over ideologieën. Evenals over het 'nationale belang' en het 'algemeen belang'. Maar zonder dat deze begrippen worden voorzien van een duidelijke invulling. Goed beschouwd, kan dat ook niet meer. De oude 'integratiekaders', waarvan bijvoorbeeld Klop en Groenveld spreken, hebben hun zeggingskracht en oriëntatiefunctie ten aanzien van de moderne maatschappij verloren.

Hoezeer men ook poogt met vaandels als 'rentmeesterschap' en 'verantwoordelijke samenleving' of met 'vrije markt' en 'individuele verantwoordelijkheid' de maatschappelijke kwesties van tegenwoordig te lijf te gaan, het kan niet verhullen dat men praktisch met lege handen staat in de strijd tegen werkloosheid, sociale onzekerheid, en onbeheersbaarheid van gezondheidszorg en onderwijs. Om nog maar te zwijgen van de ethische, juridische en politiek-culturele gevolgen van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld gentechnologie en informatietechnologie. Deze ontwikkelingen zijn feitelijke ontwikkelingen die men niet vooraf ideologisch kan beoordelen, maar waarbij men de meningsvorming met de ontwikkeling moet méé-ontwikkelen.

Democratie is een proces van hoor en weder-hoor, waarbij elke maatschappelijke groepering het recht heeft om het eigen belang naar voren te brengen. Waar de beschouwingen van Klop en Groenveld en van Bolkestein consequent aan voorbij gaan, is de vraag waar de politicus zijn voeding vandaan haalt tijdens zijn afwegingsproces. Is het voldoende voor een afweging van belangen om zich te oriënteren aan de hand van ideologische schema's en grondbegrippen? Ik meen van niet.

Een democratisch politicus onderscheidt zich vooral door zijn open, communicatieve en onbevooroordeelde houding op basis waarvan hij het gezag en charisma kan verwerven om namens het volk keuzes in het algemeen belang te maken. Bovendien dient hij dit vermogen periodiek telkens opnieuw ter discussie te stellen.

Tenslotte is het inderdaad van belang dat politieke partijen zich revitaliseren, ook om ervoor te zorgen dat de kiezer straks weer iets te kiezen heeft. Om dit te bereiken dienen partijen hun radicaliteit te herwinnen. Dat kan alleen als zij zich minder fixeren op het regeringsbeleid en zich meer bezighouden met politieke kwesties op de lange termijn en hun communicatieve potenties opnieuw ontwikkelen en benutten.

De partijen zullen dus weer als een politieke beweging moeten gaan opereren. Contacten met actiegroepen en belangengroepen spelen daarin een onmisbare, voedende rol. Want laten we niet vergeten dat de kerngedachte van democratie is, dat niemand het monopolie kan of mag claimen op hét algemeen belang.

    • Allan Varkevisser