Helmen

Er wordt weer gebouwd.

Trots op hun werklust kijken de Rotterdammers vanaf vlonders toe hoe aannemers uit de verre omgeving de handen uit de mouwen steken. Het centrum ligt al weer een tijd overhoop, voor de bevordering van het winkelgemak. Zoals een buitenlandse bezoeker aan het Filmfestival opmerkte: “Ik wist niet dat jullie alweer gebombardeerd waren.”

Bij een van de werkplekken staat een oudere man in bruine regenjas toe te kijken. Uiteindelijk loopt hij aarzelend door het openstaande hek naar binnen. Met neerwaartse blik benadert hij een werknemer die op breed uiteengeplaatste klompen een zwaar sjekkie staat te bouwen en, zoals later blijkt, ook nog eens 'Willem' heet. Hij hoort het geduldig aan - de oude man had vroeger veel met de veiligheid in de bouw te maken. En ze doen het hier verkeerd. Ze hebben geen helm op, en dat zou wel moeten. Want gevaar schuilt niet alleen in vallend materiaal - ook als je je bij het werk binnen de draaicirkel van machines begeeft moet je zo'n helm op.

Willem roept er nu - ik kan er ook niets aan doen - 'Arie' bij. “Meneer zat vroeger ook in de bouw. En hij vertelt me net dat we het verkeerd doen.” 'Ja', valt de oudgediende in, en hij schetst zijn werkverleden nu wat uitgebreider, om vervolgens het veiligheidsverhaal tegen Arie te herhalen. Het lijkt net alsof hij wat rechter staat dan daarnet; Arie en Willem kijkt hij nu aan tijdens zijn betoog, de aarzeling is verdwenen.

Ook Arie kan een kleine pauze wel gebruiken. Hij roept er van grote afstand Fred bij, die net van een kraan was gestapt. Als die is aangekomen kijken zijn collega's hem aan met een glimlach die zich tot de ogen beperkt - het wenkbrauwgebruik is zo subtiel, dat een knipoog overbodig is. Ook tegen Fred houdt de man zijn streng betoog, al wat geroutineerder en zelfs vol vertrouwen met een half grapje. En de mannen-onder-elkaar toevoeging dat hij weet hoe het gaat, vertel mij niks, zo'n helm vergeet je zo - maar een ongeluk leg in een klein hoekie.

Willem vermorzelt zijn sjekkie onder een klomp. Met een dwingende blik op zijn collega's zegt hij: “Goed meneer, we zijn blij dat u het even kwam zeggen. U heeft groot gelijk. Die helmen hebben we helemaal in de keet liggen, dus we gaan nou nog even gewoon door. Maar morgen doen we ze op.”

Daarna mag de veiligheidsman nog een keer het hele verhaal vertellen - aan de trouwe vaste toeschouwers bij dit bouwproject die, met hun fietsen met tassen en lunchpakket onder handbereik, zwijgend samengedromd staan. En dan loopt hij door, weg van de bouwput. Zijn rug is rechter, de borstkas weer op vitaal volume, onvervaard kijkt hij om zich heen. Hier loopt een man met een missie - gepensioneerd, maar met een niet aflatende functie voor de maatschappij.

Nou hoop ik zo dat hij morgen niet komt kijken.

    • Frans van der Helm