Grieken ergert wat Turken stoort

De Grieken klagen. Hun land kan bij het Westen geen goed doen. En wat ze nog erger vinden: Turkije kan in het Westen geen kwaad doen. Opmerkelijk is, aldus Frans van Hasselt, dat men er in Turkije precies andersom tegenaan kijkt. Hoogste tijd voor een goed gesprek tussen de twee kemphanen.

Voor het eerst sinds lange tijd betoonde men zich in Griekenland onlangs weer eens tevreden over een vergadering van EU-ministers van Buitenlandse Zaken. Gewoonlijk had Athene zich daarbij in isolement gevoeld, of had het de indruk dat er onvoldoende naar het Griekse standpunt was geluisterd. Ditmaal was het gekomen tot een tekst van alle vijftien lidstaten, waarin Turkije werd uitgenodigd zich in zijn conflicten met Griekenland te onthouden van geweld, internationale verdragen en bestaande grenzen te respecteren en zo meer.

Acceptatie hiervan was voor Griekenland de voorwaarde zijn veto in te trekken tegen financiële steun aan Turkije ter waarde van 375 miljoen ecu in het kader van de douane-unie die vorig jaar met dat land is gesloten. Maar de nieuwe Turkse premier Mesud Yilmaz weigerde zich bij deze verklaring aan te sluiten, waarna het Italiaanse voorzitterschap de vergadering met de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, Emre Gönensay, een dag later zou worden gehouden, verdaagde tot uiterlijk eind juni.

Daags tevoren had Yilmaz wereldwijd - en zelfs ook een beetje in Griekenland - lof geoogst met een uitvoerige verklaring waarin hij stelde dat zijn land bereid was internationale regels aan te houden bij de hoognodige oplossing van de conflicten met Griekenland en ook de status quo in het Egeïsche gebied die Griekenland nastreeft, te willen herstellen.

De Grieken zien nu in zijn weigering de tekst van de vijftien - waarin ongeveer hetzelfde was geformuleerd - te accepteren, een soort ontmaskering. De man komt slechts met woorden, niet met daden, kan men hier horen. En men gaf uitdrukking aan de hoop dat dit nu ook tot de andere veertien is doorgedrongen en dat de positie van isolement, waarin Griekenland zich jarenlang voelde, nu zal worden ingenomen door Turkije.

Die hoop bleek al meteen ijdel. Bekend werd dat voorzitter Suzanna Anieli van de ministerraad Yilmaz telefonisch haar leedwezen had betuigd, “omdat één lidstaat, om redenen die niets hadden te maken met de douane-unie, de vergadering had tegengehouden”. De lof voor Yilmaz in de Europese pers blijft in stand, niet alleen vanwege zijn nieuwe frisse uitspraken over de verhouding met Griekenland, maar ook vanwege perspectieven die hij opende op een oplossing van de Koerdische kwestie.

En Griekenland blijft het produkt van irritatie als de factor die eeuwig dwars ligt. Minister van Buitenlandse Zaken Pangalos is als een triomfator in Athene teruggekeerd, en zelfs de rechtse oud-premier Mitsotakis, die het nieuwe Griekse veto als een “tragische fout” had bestempeld, betoonde zich enthousiast over het verloop. Maar dat enthousiasme zal wel eens van korte duur kunnen zijn, als blijkt dat de internationale irritatie over Griekenland en de sympathie voor Turkije voortduren.

Kort na de crisis rondom de rotseilandjes Imia leek er een wending te komen in die internationale houding. De toenmalige demissionaire Turkse premier Çiller wekte wrevel met haar opmerkingen dat er nog duizenden zulke eilandjes waren waarvan het eigendom niet vaststond en vooral met haar verwijzing dat deze eilandjes, net als eventuele uitroeping door Griekenland van de twaalf-mijlszone, voor haar land een casus belli (reden tot oorlog) zouden moeten worden. Athene kreeg wat meer oren voor zijn betuiging dat het zelf nooit met oorlog dreigde en dat het Turkije was dat de kwestie van de rotseilandjes - waar sinds 1947 niet op was gelet - uit de grond had gestampt.

Zowel de EU-Commissie, als het Europese Parlement kwamen met verklaringen die, hoewel ze nog net geen veroordeling bevatten, in Ankara bijzonder slecht vielen. Athene raakte voor het eerst sinds vele jaren diplomatiek in het voordeel en men hoorde niet meer, zoals doorlopend hier, verzuchten dat “Turkije veel betere diplomaten heeft dan Griekenland”.

Dit voordeel is ongetwijfeld teniet gedaan doordat de “slechte diplomaten” van Athene weer met de oude koe van het financiële veto kwamen, hetgeen door Mitsotakis toen terecht “een tragische fout” werd genoemd en ook van links hier en daar werd bekritiseerd. Het manoeuvreerde zich hiermee opnieuw in de positie van “lastige kemphaan”, die een eeuwig conflict met een erfvijand uitvecht.

Want zo zien de meesten in het Westen de geschillen tussen Griekenland en Turkije: als kwesties tussen twee kemphanen, waar de redelijke buitenwereld weinig aan kan veranderen. Imia wordt een rots die “door twee landen wordt opgeëist”. Dat er een probleem rijst over de geiten die op deze eilanden weiden, werkt voornamelijk op de internationale lachspieren.

Daardoor blijft er weinig aandacht voor het feit dat die geiten al generaties lang door Grieken werden geëxploiteerd. Het is Turkije dat de eilandjes plotseling opeist en daarbij poneert dat het verdrag van 1947 tussen Italië en Griekenland, waarbij de Dodekanesos aan laatstgenoemde werd toegewezen, voor Ankara niet geldt omdat het niet door Turkije is getekend.

Het Westen, zo zegt men hier, interesseert zich niet voor de vraag wie gelijk heeft inzake Imia. Kemphanen hebben nooit gelijk. Men herinnert weer bitter aan 1955, het jaar waarin in Istanboel een gruwelijke pogrom plaatsvond tegen de Griekse minderheid (toen nog aanzienlijk). De toenmalige Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Foster Dulles stuurde vervolgens naar beide hoofdsteden gelijkluidende opwekkingen de kalmte te bewaren.

Griekenland weet dat het het Westen ergert. Maar men vraagt zich hier af: is ergeren erger dan wat Turkije onder Çiller deed: dreigen met oorlog, verdragen aan de laars lappen, om nog maar te zwijgen van het optreden tegen Koerden en sinds kort ook de grootste minderheid, de Alavieten, waarvan 63 dorpen moesten worden ontruimd.

Onlangs was het weer raak: bij de internationale conferentie tegen terreur in Cairo werd wel Turkije uitgenodigd, maar niet Griekenland en Cyprus. Men beseft hier maar al te goed dat Griekenland tot nu toe geen grote bijdrage heeft geleverd in de strijd tegen de terreur. Maar Turkije met zijn staatsterreur, wat heeft dat land bij zo'n conferentie te zoeken?

Zo klaagt men in het Griekse kamp. Men krijgt hier de indruk dat Turkije in het Westen eigenlijk geen kwaad kan doen, en Griekenland geen goed. Men heeft ook de verklaring: Turkije met zijn ruim zestig miljoen inwoners is voor Europa een enorme potentiële klant, in het kader van de douane-unie, en “de klant is altijd koning”.

Het gekke is - en daar heeft men in Griekenland geen idee van - dat men in Turkije alom het omgekeerde kan horen: dat Griekenland het bedorven kind is in het Europese christelijke huisgezin. Wat dat betreft zouden de Grieken en Turken eens moeten discussiëren in een, hier zo populaire, talkshow.