Getuige heeft in wet onvoldoende bescherming

DEN HAAG, 2 APRIL. De Wet getuigenbescherming biedt onvoldoende bescherming aan bedreigde getuigen in strafzaken. Dit concluderen onderzoekers van de Leidse universiteit in een rapport dat in opdracht van het ministerie van Justitie is gemaakt.

Volgens de onderzoekers van de vakgroep Strafrechtelijke Vakken wordt in de praktijk weinig gebruik gemaakt van de wet Getuigenbescherming. De wet is is sinds 1 februari 1994 van kracht en beoogt bedreigde getuigen tijdens het strafproces te beschermen door hen de mogelijkheid te bieden anoniem verklaringen af te leggen. Daar staat tegenover dat het gebruik van dergelijke anonieme verklaringen door de wetgever aan strikte voorwaarden is gebonden.

In de praktijk gebleken dat het vrijwel onmogelijk is de identiteit van de getuige geheim te houden, als deze een bekende van de verdachte is. Veelal kan de verdachte de herkomst van de informatie tot een bepaalde persoon herleiden, omdat er behalve de verdachte vaak maar één persoon is die over dezelfde informatie beschikt. Dat leidt ertoe dat er bij de anonieme verklaring zóveel geschrapt moet worden dat de waarde van de verklaring als bewijsmiddel gering is. Bovendien blijven veel vragen die door de verdediging aan de getuige worden gesteld, onbeantwoord, aldus de onderzoekers. Zij concluderen dat het noteren van bijzonderheden van de verklaring in het proces-verbaal van het verhoor bijna onvermijdelijk leidt tot onthulling van de identiteit van de getuige. Mede daardoor wordt spaarzaam gebruik gemaakt van de regeling voor de bescherming van getuigen.

Uit het onderzoek blijkt dat sinds de invoering van de Wet getuigenbescherming in ten minste 58 strafzaken voor één of meer getuigen initiatief is genomen tot een verhoor met volledige anonimiteit. Dit initiatief is in 47 strafzaken gehonoreerd door de rechter-commissaris. De zaken hadden vooral betrekking op levensdelicten, opiumdelicten en overvallen.

De onderzoekers vinden dat er behoefte blijft aan een wettelijke regeling, maar deze zou op een aantal punten moeten worden aangepast. Aan de rechter-commissaris zou de wettelijke verplichting moeten worden gegeven om na te gaan of de anonieme getuige al eerder een verklaring op naam heeft afgelegd. Daarnaast wordt de aanbeveling gedaan een wettelijke basis te creëren voor een beschermingsprogramma voor getuigen. Zo'n programma geeft Justitie de mogelijkheid getuigen en eventueel hun familie aan een nieuwe identiteit te helpen.

Minister Sorgdrager (Justitie) zal pas na de Kamerbehandeling van het rapport van de enquêtecommissie opsporingsmethoden met haar standpunt over de getuigenbescherming naar buiten treden.

    • Rob Schoof