Fotograaf Klein: 'dat grafische was handigheidje'

Het Fonds voor beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving in Amsterdam heeft vandaag zijn tweejaarlijkse oeuvreprijzen (50.000 gulden en een publikatie) toegekend aan beeldend kunstenaar André Volten, fotograaf Aart Klein, grafisch ontwerper Benno Wissing en architect John Habraken. Prijswinnaar Klein is niet tevreden over zijn reputatie van 'grafisch' fotograaf.

'Mijn fotografie heet zwart-wit fotografie, maar eigenlijk is het precies andersom; wit op zwart. Want doe je niets dan krijg je een zwart beeld. Pas als je de sluiter opent dan gebeurt er wat: dan teken je met wit.'

Het is een veelvuldig geciteerde uitspraak van de nu 86-jarige Aart Klein, aan wie, de Oeuvreprijs Fotografie 1996 van het Fonds voor beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving is toegekend. Eerder ging deze prijs naar de fotografen Eva Besnyö en de recent overleden Ad Windig.

'Wit op zwart' roept als vanzelf het beeld op van de foto's die Kleins handelsmerk werden en waarvoor hij al in 1982 de Capilux Alblas-prijs kreeg: die van de ijzervlechters bij de Deltawerken bijvoorbeeld, van het Philips-hoofdkantoor in Eindhoven of van het oorlogskerkhof Margraten. Grafische foto's zijn het, met niet of nauwelijks grijstinten en een sterke nadruk op compositie en vlakverdeling. Ze houden het midden tussen het zakelijk realisme van de Nieuwe Fotografie uit de jaren dertig en de abstractie van de naoorlogse moderne kunst.

Toch is Klein nooit echt gelukkig geweest met zijn 'grafische' reputatie. “Het is een wat oppervlakkig typering die voorbij gaat aan de inhoud”, zegt hij in zijn Amsterdamse woning met uitzicht op de Amstel. Om er lachend aan toe te voegen: “Trouwens, zoveel is er nou ook weer niet voor nodig om een zwart-wit foto grafisch te maken.”

Sommige dingen kunnen ook niet anders, meent Klein, refererend aan een andere bekende foto, van een zwarte boerderij met helwitte kozijnen bij Ierseke, net als de eerder genoemde drie terug te vinden in zijn in 1986 verschenen losbladige oeuvreoverzicht. “Die fotografeerde ik op een namiddag in de regen. Er stonden miljoenen grassprietjes op de voorgrond maar die haalden dus gewoon de foto niet.”

Zijn herkenbare stijl is vooral te danken aan een kort na de oorlog bij toeval ontdekt 'handigheidje': het opwaarderen van weinig lichtgevoelige films door ze te ontwikkelen in een verwarmde ontwikkelaar. Een van de voordelen van die techniek was dat Klein ook in duistere omstandigheden zonder flitslicht kon fotograferen, hetgeen hem - als lid van het in mei 1945 samen met mede oud-verzetsleden als Lood van Bennekom, Maria Austria en Henk Jonker opgerichte fotopersbureau Particam - jarenlang tot een zeer gewild fotograaf van theater- en muziekvoorstellingen zou maken.

In 1956 begon Klein, die het vak in de jaren dertig in de praktijk leerde als fotojournalist bij Polygoon, voor zichzelf. In tegenstelling tot veel van zijn generatiegenoten ontwikkelde hij zich niet tot een reportagefotograaf pur sang maar legde hij zich vooral toe op de bedrijfsfotografie (voor o.a. Philips, CSM, Akzo, Gasunie en chocoladefabrikant Van Houten). Ook in die hoedanigheid deelt hij met hen dat zo herkenbare soms wat anekdotische na-oorlogse humanisme en het optimistisme van de wederopbouwjaren.

Vanaf dat moment ontstond het merendeel van Kleins nu onderscheiden oeuvre. Een belangrijke plaats daarin is weggelegd voor de landschapsfotografie, een genre dat hij als een van de weinige fotografen van zijn generatie serieus beoefende. “Waarom dat zo is, weet ik niet. Zelf ben ik van jongs af aan een groot natuurliefhebber geweest en ik kwam onderweg en tijdens de uitvoering van mijn opdrachten dus altijd wel het nodige tegen. Al ging het ook in mijn geval niet vanzelf. In het begin vroeg ik me achteraf vaak af waarom ik niet had gefotografeerd wat ik die dag had gezien; dat dijkje, de voetstappen van een boer in de klei, die akker.”

Landschapsfotografie vormt ook een wezenlijk onderdeel van de beide boeken over de aanleg van de Deltawerken (Delta, Poort van Europa en Delta, Stromenland in Beweging, 1963 en 1967) die door vrijwel iedereen, hemzelf incluis, tot de hoogtepunten van zijn werk worden gerekend.

Over die boeken bestaat nog steeds een misverstand, zegt Klein. “Rijkswaterstaat heeft altijd de indruk gewekt dat die boeken in hun opdracht zijn gemaakt. Niets is minder waar, het was mijn initiatief. Ze hebben er jaren mee lopen pronken, maar behalve een briefje dat verklaarde dat ik mocht gaan en staan waar ik wilde, hadden ze er geen sou ingestoken.”

In al die jaren heeft Klein maar weinig gepubliceerd in kranten, al bewaart hij goede herinneringen aan het oude Handelsblad, waarvoor hij foto's maakte bij de (reis)reportages van Herman Besselaar. “Laten we maar eens naar Engeland gaan”, zei Besselaar dan. 'Prima', reageerde de hoofdredacteur steevast, en dat leverde dan een glorieuze pagina foto's op in de zaterdageditie.” Aan de samenwerking kwam een abrupt einde toen de krant naar Rotterdam verhuisde. “Alles moest anders, meende men plots. En fotografie was toch verleden tijd? De mensen keken voortaan naar de televisie.” Hij moet nog altijd lachen bij de herinnering.

Fotograferen doet Klein de laatste jaren nog maar mondjesmaat. Op vakantie, tijdens zondagse wandelingen. En hij fotografeert de Amstel, voor zijn deur. Echte wapenfeiten zijn er dan ook niet meer zegt hij, of het zouden de elf foto's moeten zijn die het Parijse Maison Européene de la Photographie onlangs van hem heeft aangekocht.

Ja, en nu deze onderscheiding. “Eervol”, zegt hij trots. En hij is verrast, natuurlijk; “want op zoiets rekenen doe je niet.” Om er bescheiden aan toe te voegen: “Ach, jury's en prijzen. Het is maar net hoe het dubbeltje rolt.”