De geëmancipeerde Palestijnse vrouw zegt deemoedig 'ja pappie, nee pappie'

JERUZALEM, 2 APRIL. Net als de soep is opgediend gaat de telefoon. De heer des huizes staat op, maar Reema roept: “Laat maar, het is voor mij. M'n vader.” Vanaf de eettafel hoor je haar zeggen: “Ja pappie, nee pappie.” Ze hangt op, bedankt de gastheer en zijn vrouw voor het diner, waar ze amper een halve gang van heeft gegeten, en vertrekt.

Reema is een alleenstaande vrouw van 32 uit een prominente Palestijnse familie. Ze is geboren en getogen in Amerika en woont nu met haar ouders op de Westelijke Jordaanoever. Ze draagt een korte rok en heeft een goede baan bij een internationale organisatie. Ze lijkt het toonbeeld van de vrijgevochten Arabische vrouw. Toch moet Reema altijd om elf uur thuis zijn van haar ouders. En daar klaagt ze nooit over. Integendeel. Ze wil snel trouwen, ophouden met werken en een gezin stichten. Als je geen onberispelijk leven leidt, verspeel je de reputatie van je familie en daarmee je kansen op de huwelijksmarkt.

Vrouwen als Reema zijn net zo'n nachtmerrie voor de Palestijnse vrouwenbeweging als de beweging dat voor de doorsnee Palestijnse vrouw is. Eerst heeft die beweging tandenknarsend moeten toegeven dat de intifadah, de volksopstand tegen de Israelische bezetting, niet de emanciperende revolutie was die zij altijd dàcht dat ze was. Zo makkelijk als de vrouwen destijds de straat opgingen om te helpen in het verzet, zo snel holden ze hun huizen weer in toen de opstand voorbij was. Toen vestigde de vrouwenbeweging haar hoop op de Palestijnse vrouwen die na het vredesakkoord met Israel uit het Westen terugkeerden. Maar in plaats van zich te ontpoppen als een moderniserend voorbeeld voor de rest, blijken deze 'westerlingen' zich juist soepel naar de heersende normen te voegen. Of voegen? “We hebben nooit andere normen gehàd”, zegt Reema. “In de States, Canada of waar we ook vandaan komen, leefden we toch in de Arabische migrantengemeenschap?”

Palestijnse feministen hebben jarenlang vurig gehoopt dat de intifadah een sociale revolutie met zich zou meebrengen die voor de 'bevrijding van de vrouw'zou zorgen. Nooit eerder in de geschiedenis hadden vrouwen immers op eigen initiatief zo'n prominente rol gespeeld in het openbare leven. Tot ieders verbazing begonnen zij in 1987 op straat tegen de bezetting te protesteren. Ze zetten kleine landbouwcoöperaties op om hun huishoudens draaiende te houden, terwijl hun mannen in de gevangenis zaten, comités om truien voor gevangenen te breien, en cursussen eerste hulp voor vrouwen. Een enkeling deed koerierswerk, omdat de Israeliërs minder snel op vrouwen schoten dan op mannen. “Het was meer sociaal dan politiek werk,” geeft Eileen Kuttab, docent vrouwenstudies aan de Bir-Zeituniversiteit, toe, “maar ze kwamen hun huizen tenminste uit en dat was een revolutie op zich. Ik dacht dat onze emancipatie eindelijk op gang was”.

Tijdens de vredebesprekingen, begin jaren negentig, werd het strijdtoneel verlegd naar de diplomatie. Behalve de fameus geworden Hanan Ashrawi speelden vrouwen daarin geen enkele rol - ze werden gepasseerd, maar ze taalden er ook niet naar. (Ashrawi is hier populairder bij mannen dan bij vrouwen.) In 1993 kwam het autonomie-akkoord. Nog geen jaar later stelde PLO-leider Arafat zijn eerste kabinet samen. Daar zat precies één vrouw in, Umm Jihad, de weduwe van een PLO-topman die door de Mossad in Tunis was vermoord. Zij werd benoemd als eerbetoon aan haar man; als minister van sociale zaken is zij een ramp.

Toen ook de lagere overheidsposten naar mannen bleken te gaan, sloeg de vrouwenbeweging alarm. Jarenlang had zij - moreel en financieel gesteund door de zusters in het Westen - opgewekt verkondigd dat de Palestijnse samenleving zich van haar patriarchale juk aan het ontdoen was. Nu kijkt zij, net als de collega's in Algerije die zo dapper waren tijdens de opstand tegen de Fransen, lelijk op de neus. Maar in plaats van toegeven dat de vrouwen tijdens de intifadah eigenlijk alleen maar deden wat ze altijd al deden - de gemeenschap bij elkaar houden, voor de familie zorgen -, geven veel feministen de mannen de schuld. “De mannen”, zegt een dame in Ramallah tenminste bitter, “hebben ons gebruikt voor de politieke strijd. Nu ze ons niet meer nodig hebben, schoppen ze ons terug de keuken in.”

In de Arabische maatschappij hangt het prestige van de man niet alleen af van zijn persoonlijke prestaties, maar ook van de mate waarin hij zijn 'vrouwvolk' onder controle weet te houden. Als een vrouw zich niet volgens de regels gedraagt, wordt haar vader of echtgenoot er op aangekeken. Toen een man in Hebron er laatst achter kwam dat zijn 18-jarige dochter een verhouding had met een getrouwde man, vermoordde hij haar. Veel mannen staan dan ook niet te springen om hun vrouw of dochter een grotere maatschappelijke rol toe te staan. Hoe meer zij van huis is, hoe moeilijker het is om haar op het rechte pad te houden.

Toch is het niet terecht dat Palestijnse feministen de mannen de schuld geven van het feit dat hun emancipatorische dromen in het water zijn gevallen. De Palestijnse vrouwen zijn namelijk net zo traditioneel als de mannen. Toen het lijk van het overspelige meisje in Hebron werd gevonden, kon je mannen èn vrouwen horen zeggen dat het goed was wat de vader had gedaan. In veel gezinnen vindt de vrouw het maar niets als haar man hun dochter laat studeren. En toen Miriam Abu Dagga, een PLO-veteraan van het vrijgevochten soort, na jarenlange ballingschap naar haar familie in Gaza terugkeerde, was het haar zus die zei dat ze een hoofddoek om moest.

Abu Dagga vertelt dat ze de laatste tijd vaak mannen op bezoek krijgt die wanhopig vragen wat ze moeten doen om hun echtgenotes eens de deur uit te krijgen. Die klacht is nieuw. Je hoort haar met name in de steden, die toch van oudsher liberaler zijn dan de rurale gebieden. Daar zijn veel Palestijnen gaan wonen die uit Tunis of andere 'mondaine' oorden zijn teruggekeerd. De meesten zijn mannen alleen, wier families in het buitenland wonen. Als je aan de vrouwen vraagt waarom ze meer thuis zitten dan vroeger, dan zeggen ze dat ze zich bedreigd voelen met al die vreemde kerels om zich heen. De straat was van hen, ze kenden iedereen die ze er tegenkwamen. Nu niet meer.

Dat er in januari nauwelijks vrouwen in het parlement zijn gekozen, lag ook vooral aan de vrouwen zelf. Er waren meer mannen dan vrouwen die op vrouwelijke kandidaten stemden. Op de vraag waarom dat zo is, zegt de 21-jarige Siniya, studente Engels in Gaza: “Vrouwen mogen onderwijzeres of verpleegster worden. De politiek is voor mannen.”

Uit een enquête, laatst op de Palestijnse televisie, bleek dat ruim 80 procent van de vrouwen en maar 40 procent van de mannen die mening deelt. “Vrouwen,” zegt Miriam Abu Dagga, “zijn banger dan mannen dat de bestaande orde verandert. Mannen snappen wat er buitenshuis gebeurt, maar voor veel vrouwen is dat vreemd terrein. Ze worden er onzeker.” Vandaar dat Palestijnse vrouwen, meer nog dan mannen, erg zijn geschrokken van de interpretatie die de feministen aan de intifadah gaven. De workshops die deze gretige vrijgevochten Palestijnse vrouwen in die dagen voor hen organiseerden, hadden averechts effect: ze maakten de gewone vrouwen bang. Woorden als 'bevrijding' en 'zelfontplooiing' joegen hun de schrik om het hart, want het enige beeld dat ze daarbij hadden was dat van de rokende, alleenwonende types met een broek aan, die ze voor zich op het podium zagen zitten. Ze vonden dat zo eng dat ze juist teruggrepen op de veilige tradities. Vandaar dat de vrouwen die hun kroost tijdens de intifadah nog de straat opstuurden om stenen te gooien, nu eisen dat lagere scholen het touwtjespringen verbieden: hun dochters zouden door het gehops hun maagdelijkheid kunnen verliezen. Vandaar dat men op ministeries nauwelijks secretaresse kan krijgen. Vandaar dat er nu meer vrouwen gesluierd gaan dan voor de intidafah. Feministe Maha Abdul Nasser in Jeruzalem is niet blind voor deze signalen. “Als wij van de afgelopen jaren iets kunnen leren,” zucht zij, “dan is het wel dat de echte bevrijding niet van ons moet komen.”

    • Caroline de Gruyter