'Atoombureau verzweeg gevolgen Tsjernobyl'

Eind deze maand is het tien jaar geleden dat reactor vier van de kerncentrale bij Tsjernobyl ontplofte.

Het grote herdenken is inmiddels op gang gekomen. Vorige week bracht de EO al een suggestief filmpje over de talrijke misgeboorten en erfelijke afwijkingen die de fallout van de reactor teweeg had gebracht. Gisteren liet de BBC in het programma Horizon zien hoe het beter kan. Volgens de laatste inzichten zijn onder de getroffen bevolking, afgezien van de zware psychische nood, alleen de vele honderden gevallen van schildklierkanker onder kinderen aan de hoge stralingsbelasting toe te schrijven. Onder de 800.000 schoonmakers, bouwvakkers en hulpverleners die al of niet vrijwillig kort na de ramp bij de centrale en in de besmette gebieden aan het werk gingen is leukemie niet zeldzaam meer. Op grond daarvan wordt aangenomen dat zich onder deze zogenoemde 'liquidatoren' ook een stijging zal voordoen van andere kankersoorten (longkanker, borstkanker) die een langere latentietijd hebben dan leukemie en schildklierkanker.

Ten opzichte van het getal van duizenden Tsjernobyl-doden dat wel is genoemd vallen de effecten dus in zekere zin mee. Anderzijds heeft het ongeluk veel ernstiger gevolgen gehad dan in mei 1991 op een congres van het internationale atoombureau IAEA in Wenen werd vastgesteld. Toen heette het dat geen enkel ziektegeval in Wit-Rusland en Oekraïne direct aan het reactorongeluk viel toe te schrijven. De discrepantie tussen deze conclusie en de veel alarmerende conclusie van een WHO-congres in november 1995 was het eigenlijke onderwerp van Horizon, dat vooral liet zien hoe de Britse artsen Keith Baverstock (verbonden aan de WHO) en Dillwy William (Cambridge) hemel en aarde moesten bewegen om het Westen duidelijk te maken dat wel degelijk ernstige gevolgen van het ongeluk aantoonbaar waren. Dankzij de inspanning van het tweetal wisten onderzoekers uit Wit-Rusland uiteindelijk in het najaar van 1992 een brief over de hoge incidentie van schildklierkanker in het tijdschrift Nature geplaatst te krijgen. Baverstock en William verwijten de Amerikaanse hoogleraar radiologie Fred Mettler, die in 1990 aan het hoofd stond van de groep medici die voor het IAEA in Wit-Rusland en Oekraïne de balans opmaakten, het inzicht dat er in de endocrinologische kliniek in Minsk opmerkelijk veel schildklierkanker voorkwam opzettelijk uit zijn rapport gehouden te hebben. Mettler zelf meent dat hij daartoe het recht had, hij ziet de hoge incidentie van de kanker als een meetfout: er is ongewoon intensief naar kankers gezocht. Het hoofd nucleaire veiligheid van het IAEA denkt er precies zo over. Professor Demidchik, hoofd van de kliniek in Minsk, houdt staande dat de patiënten zich spontaan meldden en dat er bovendien een goede relatie is tussen de besmetting met jodium-131 en de schildklierkankers gevonden is. Dillwy William in Cambridge meent dat de Amerikanen een goed motief hadden om over schildklierkanker te zwijgen. In de jaren vijftig heeft het Amerikaanse ministerie van energie opzettelijk een wolk jodium-131 laten ontsnappen om de verspreiding daarvan te onderzoeken. Men vreest onoverzienbare schadeclaims als duidelijk wordt dat dit tot schildklierkanker geleid kan hebben.