Toen zei Marleen: Dat kan wèl en het móet

In The International Who's Who (1995-1996) komt de Nederlandse filmmaker Marleen Gorris nog niet voor. Biografische informatie over haar is moeilijk te krijgen. Ze voelt er niets voor haar doopceel te lichten, want “wat ik ben, kun je toch niet vangen. Je hebt met mijn films te maken”.

Marleen Gorris is donderdagmiddag teruggekeerd uit Los Angeles. Ze heeft de Oscar voor haar film Antonia thuis op de schoorsteenmantel gezet en probeert nu weer verder te schrijven aan een nieuw scenario, waarover ze nog niets openbaar wil maken omdat ze het heilloos - en zelfs enigszins riskant - vindt om over een verhaal te praten voordat het compleet op papier staat. Met enig leedvermaak stapte ze uit het vliegtuig, aldus een ANP-verslaggever die haar op Schiphol opwachtte. Het felbegeerde beeldje gaf haar niet alleen een mooi blijk van waardering, maar ook een goede aanleiding om een lange neus te trekken naar de Nederlandse critici die haar film vorig najaar met gemengde gevoelens (en soms zelfs uitgesproken negatief) hadden ontvangen. Al die “azijnpissers” kunnen, wat haar betreft, een voorbeeld nemen aan de onbevooroordeelde manier waarop de Amerikanen naar Antonia's Line hebben gekeken.

“Maar hoe er hier ook over Marleen Gorris wordt gedacht - iedereen gunt haar dit natuurlijk van harte”, zegt scenarioschrijver Carel Donck. “Zelf zou ik het, als mij was gevraagd of Antonia een kans op een Oscar maakte, niet hebben gedacht. Maar ik voel er weinig voor aan alle commentaren die er al zijn geweest, nog eens het mijne toe te voegen. Dat doet er nu niet meer toe. Het is een prachtige onderscheiding.”

Donck was ongeveer vijftien jaar geleden een van de eersten uit het vak, die een filmscenario van de toen volstrekt onbekende Marleen Gorris te lezen kregen. “En dat was meteen al heel indrukwekkend, misschien juist omdat ze niet al te veel werd geplaagd door kennis van de regeltjes.” De nu bekroonde cineaste had voordien nooit iets te maken gehad met de filmwereld; zelfs de filmacademie sloeg ze over. Ze was betrokken geweest bij een paar kleine theaterprodukties, meer niet. Maar als ze voor het toneel iets schreef, zei ze later, had ze steeds een beeld voor ogen dat meer bij de film paste: close-up of vanuit de verte. Biografische informatie is over Gorris nauwelijks voorhanden. Het woord diepte-interview vervult haar, blijkens eerdere publikaties, met diepe weerzin. Ze voelt er niets voor tegenover de pers haar doopceel te lichten, zei ze vijf jaar geleden tegen de Groene: “Wat ik ben, kun je toch niet vangen. Je hebt te maken met mijn films.” Hooguit is bekend dat ze in 1948 in een Limburgs ambtenarengezin werd geboren als de middelste van zes kinderen (vier zussen en een broer) en “aangenaam” opgroeide in Roermond. Aan het katholicisme werd niet zwaar getild, dat was er gewoon. En op haar veertiende, toen ze inzag “wat een grote hoop onzin het allemaal was”, kon ze dat geloof ook weer zonder veel moeite van zich afschudden.

Ze studeerde Engels in Groningen en theaterwetenschappen in Amsterdam en bracht, met een beurs van de British Council, een jaar door aan de afdeling drama van de universiteit van Birmingham. Maar het was haar allemaal iets te weinig tastbaar, ze wilde iets maken. Het oudste knipsel in de archiefmap van Marleen Gorris dateert uit januari 1977 en betreft een door haar geregisseerde lunchpauzevoorstelling in het Universiteitstheater in Amsterdam. Het was, aldus de recensente, “een vermakelijk schouwspelletje”.

Kort daarna begon ze te schrijven aan het scenario dat in 1982 haar debuutfilm De stilte rond Christine M. zou opleveren, het opvallende verhaal over drie vrouwen die spontaan een boetiekhouder vermoorden. Het script kwam, via via, terecht bij het producentenechtpaar Anna Oomens en Chris Brouwer. “Wij waren zeer enthousiast”, zegt Brouwer. “Het was verrassend goed geschreven. Maar toen we die film wilden maken, begonnen de problemen. Om te beginnen was Marleen zeer, zeer feministisch, op een bijna verbitterde manier. Eigenlijk kon ze niet accepteren dat een man dit een goed idee voor een film vond. Ze bleef achterdochtig; ze was als de dood dat ik de angel er uit wilde halen, terwijl die angel het nu juist zo interessant maakte. In elk geval moest de film door een vrouw worden gemaakt, en zij vond ook dat er verder alleen maar vrouwen aan mochten meewerken.”

Brouwer klopte bij een aantal cineastes aan, maar kwam met geen van hen tot zaken. “Je voelde dat het echt helemaal háár project was”, aldus Digna Sinke, een van degenen die toen werden benaderd. “Het was dus veel beter om tegen haar te zeggen dat ze die film zèlf moest maken en haar daarin te steunen.” Zelf legde Marleen Gorris haar script voor aan de Belgische regisseuse Chantal Akerman, maar ook die suggereerde haar het zelf te doen.

Brouwer kwam tot dezelfde conclusie. “En toen Marleen riep dat ze dat niet kon, hebben wij gezegd: dan geven we je wel een opleiding. Ik weet nog dat we in die tijd zaten te praten over de vraag of we Christine M. op 16 of op 35 mm zouden maken. Toen zei Marleen: misschien is het een domme vraag, maar waarom zouden we het niet op 25 mm proberen? Wij moesten toen uitleggen dat 25 mm nog niet was uitgevonden. Maar het duurde niet lang, want ze is een ontzettend intelligent iemand. Ze pikte snel op wat ze nodig had.” Collega-producent Matthijs van Heijningen hielp mee; als stagiaire liep ze een paar dagen rond op de set van diens Reve-verfilming Lieve jongens.

Intussen had het subsidiërende Produktiefonds het plan met gejuich ontvangen. “Het was overduidelijk een uitstekend scenatio”, zegt Rolf Orthel, destijds bestuurslid. “Als je in die tijd zag wat er verder aan aanvragen werd ingediend, sprong dit er echt uit.” Ook het toenmalige Emancipatiefonds wilde meebetalen.

En toch staat Chris Brouwer niet te boek als producent van De stilte rond Christine M. “Het boterde niet. Marleen kon niet beoordelen of iemand al of niet goed was, het ging er haar alleen maar om of de mensen om haar heen in het goede kamp zaten. Ze had een regie-assistente, die mij op een keer de feministische structuur van de film wilde uitleggen. Daar had ik op dat moment geen geduld voor, ik riep: ja sorry, maar nú zijn we een film aan het maken! De bom barstte bij het uitkiezen van een kledingassistente. Toen heb ik haar mijn huis uit gestuurd onder het uitroepen van: en nou is het afgelopen!”

Vervolgens kwam Marleen Gorris met haar project terecht bij Matthijs van Heijningen, die bereid was op haar voorwaarden in te gaan. Als buffer, om conflicten te voorkomen, fungeerde regie-assistente Olga Madsen. De produktie werd een succes, en de debuterende cineaste stond op de set alsof ze nooit anders had gedaan.

“Marleen is een stevige tante, die heel goed haar zin kan doordrijven”, aldus Nelly Frijda, die een van de drie moordenaressen speelde. “Dat móest waarschijnlijk ook wel, want anders hadden al die routiniers van de filmwereld ongetwijfeld hun schouders opgehaald en gedacht: och, dat meisje... Ik denk dat ze toen in haar hart heel onzeker en bangig is geweest, maar als dat zo was, heeft ze het uitstekend weten te verbergen. Ze was heel duidelijk in wat ze wilde - en als een regisseur duidelijk is, werk je als acteur heel prettig. Aan het slot van de film wilde ze iets dat technisch heel ingewikkeld was. Iedereen riep: dat is onmogelijk, dat kan niet. Heel flegmatiek zei Marleen toen: dat kan wèl, en 't móet. En zo is het ook inderdaad gebeurd.” De stilte rond Christine M., bekroond met het Gouden Kalf voor de beste speelfilm van 1982, liet zien hoe de man als aartsvijand van de vrouw kan worden beschouwd. Haar tweede film, Gebroken Spiegels uit 1984, koos partij voor de vrouwen in een bordeel. In interviews poneerde ze de stelling, dat “wezenlijk aardige” mannen het in deze maatschappij niet redden, zich dus aanpassen en dan net zo worden als de rest. “Ze ging fel tegen de man te keer”, beaamt Carel Donck. “Maar we hadden in die tijd een vast groepje dat af en toe uit eten ging, en dan zei Marleen: maar jullie weten toch wel dat ik geen mannenhaatster ben? Enerzijds had ze die felheid tegen de man in het algemeen, en anderzijds was ze tegenover ons een heel beminnelijk iemand.”

“Marleen weet heel precies wat ze wil”, zegt Van Heijningen. “Je moet met haar niet gaan discussiëren over een scenario, want daar wordt ze heel onzeker van. Maar dat hoeft dan ook niet, want het enige wat bij haar altijd goed is, is het scenario. Ik heb bij haar nooit het recht op de final cut (de eindmontage) geëist. Dat was niet nodig.”

Toch liep het ook tussen hem en Marleen Gorris stuk. De cineaste had het script voor Antonia geschreven en wilde dat de Vlaamse actrice Viviane de Muynck de hoofdrol zou spelen. Van Heijningen zag veel meer in Nelly Frijda, omdat ze “een prachtige rol” had gespeeld in Christine M. èn omdat haar naam na de eerste Flodder-film een commerciële klank had gekregen. Marleen Gorris zag daar niets in; ze had trouwens een hooglopende ruzie met Nelly Frijda achter de rug, toen die had geweigerd een bijrolletje in Gebroken Spiegels te spelen.

Het conflict liep hoog op, en daar kwam nog bij dat Van Heijningen er niet in slaagde voldoende financiers voor de nieuwe film te vinden. Gorris ging daarop in zee met producent Laurens Geels van de firma First Floor Features. Hij vond het Antonia-script “best aardig”, maar eerst maakten ze een andere film: de Engelstalige produktie The Last Island (1990). “Aan het optimisme van Antonia ben ik nog niet toe”, zei de cineaste bij nader inzien. “Eerst moet er nog wat gruwel uit.”

The Last Island was een onheilszwanger relaas over zeven mensen op een onbewoond eiland, van wie tenslotte alleen de twee vrouwen aan de escalatie van moord en doodslag weten te ontsnappen. Ook dat plan was eerder al eens bij Matthijs van Heijningen ter sprake geweest. “Maar mij als man ging het nèt iets te ver”, herinnert deze zich.

De kritiek vond er niet veel aan. In de Nederlandse bioscopen was het resultaat “rampzalig”, aldus Laurens Geels, en ook de bescheiden verkoop aan het buitenland kon het verlies niet goedmaken. “Tegen onze verwachtigen in vonden de meeste landen de film veel en veel te hard, cru en weinig liefdevol. Het probleem was dus niet de feministische optiek, maar het geweld.”

De samenwerking verliep naar zijn zeggen echter zonder problemen: “Marleen is niet makkelijker of moeilijker dan de doorsnee-filmregisseur. Ik kan drie attitudes bedenken waardoor ik met Marleen in botsing zou komen, maar ik kan er óók drie verzinnen waardoor ik ruzie zou krijgen met Frans Weisz.”

Na de flop met The Last Island en na de nogal onopgemerkte tv-serie Verhalen van de straat kwam opnieuw het plan voor Antonia ter tafel. Het project was inmiddels in handen van de beginnende producent Hans van Weers, die bij The Last Island al, in dienst van Laurens Geels, produktie-werkzaamheden had verricht. Na ingewikkelde - en jarenlange - besprekingen met buitenlandse geldschieters wist hij de benodigde 4,5 miljoen gulden bij elkaar te krijgen.

“Eerlijk gezegd vond ik het scenario veel mooier dan de film”, zegt Van Heijningen, “maar het bijzondere is, dat de film uiteindelijk precies zo is gemaakt als Marleen dat acht, negen jaar geleden al wilde. Wat dat betreft is ze onverzettelijk. Bijna op het dogmatische af, ook. Ze heeft eigenaardigheden waar ze niet van af te brengen is. Ze kan bijvoorbeeld niet eerst een synopsis schrijven - en dat is in de filmwereld toch de gebruikelijke manier om subsidie aan te vragen: eerst schrijf je de synopsis, dan krijg je geld en dan schrijf je het scenario. Marleen schrijft meteen een scenario en vervolgens maakt ze daar, ten behoeve van de subsidie-aanvraag, weer een synopsis van.” De jury van het Nederlands Filmfestival in Utrecht, onder voorzitterschap van Van Heijningen, kende Antonia twee Gouden Kalveren toe: een voor Marleen Gorris en een voor hoofdrolspeelster Willeke van Ammelrooy. Toen vervolgens de Oscar-nominatie bekend werd, ontstond tussen beiden enige wrevel over een plaatsje in de zaal op de grote avond. De organisatie bood vier kaartjes aan. De producent wilde graag zijn echtgenote meenemen, en de regisseuse haar vriendin. “Naar zo'n evenement ga je met de belangrijkste persoon in je leven”, zei Van Weers tegen het ANP. Toen echter bleek dat Willeke van Ammelrooy zich gepasseerd voelde, wist de Amerikaanse distributeur toch nog een extra kaartje te bemachtigen. Inmiddels hadden enkele kranten er al een Kwestie van gemaakt, die de feestvreugde in Los Angeles echter niet noemenswaardig heeft verstoord.

De vraag is nu alleen nog welke gevolgen de Oscar voor Marleen Gorris zal hebben. Zelf denkt ze hooguit dat het voortaan iets makkelijker zal zijn financiering voor volgende films te vinden. Met aanbiedingen uit Amerika houdt ze geen rekening. “Maar die zullen heus nog wel komen”, denkt Matthijs van Heijningen. “Ik zie haar ooit nog wel eens een film maken met een Hollywood-ster als Susan Sarandon.”

    • Henk van Gelder