Zielzorg

M.B. BLOM (red.): Muurvast. Verhalen uit het Justitie-pastoraat

282 blz., Boekencentrum 1996, ƒ 29,50

Gedetineerden bidden meer en stellen zich vaak meer open voor zielzorgers dan mensen die niet gevangen zitten. Dat is op te maken uit Muurvast, een bundel verhalen uit en over het justitiepastoraat.

In Nederland zijn een kleine tweehonderd geestelijke verzorgers werkzaam in justitiële inrichtingen. Zeventig procent van hen is predikant of priester, twintig procent is van humanistischen huize, terwijl tien procent uit parttime werkende islamitische, joodse en hindoe-zielzorgers bestaat. De structuur waarin deze hulpverleners werken is problematisch. Zij worden betaald door Justitie, terwijl ze worden uitgezonden door een kerkgenootschap of een andere levensbeschouwelijke instelling. Het werk - het winnen van het vertrouwen van gedetineerden is daarvan een belangrijk onderdeel - wordt extra bemoeilijkt doordat maar zelden positieve resultaten zichtbaar worden. Driekwart van alle gedetineerden belandt na hun vrijlating binnen korte of langere tijd weer in justitiële handen.

Toch wordt het justitiepastoraat door degenen die in die sector werkzaam zijn, meestal niet als al te deprimerend ervaren. Gebleken is, zo schrijft dr. M.B. Blom, hoofdpredikant bij de justitie-inrichtingen, dat pastores bij gedetineerden veel krediet hebben, omdat “mensen in detentie op een zeer existentiële manier ervaren dat zij het niet zonder hulp van buiten kunnen stellen. Ook zij die nooit een kerk van binnen zagen, voelen haarscherp aan dat zij met hun geestelijke nood een beroep op pater of dominee kunnen doen en dat zij ervan op aan kunnen dat die zorgvuldig omgaan met hun ambtsgeheim.”

Zo slagen zielzorgers er niet zelden in het 'gepantserd bestaan' van gedetineerden - van wie velen het credo huldigen dat je je nooit moet laten kennen en vooral nooit iemand moet vertrouwen - te doorbreken. Al te optimistisch zijn de dominees en priesters zelf ook niet en bij lezing van de bundel krijg je soms het idee dat zij al heel blij zijn als gevangenen een vriendelijk gezicht trekken, aan een gespreksgroep willen meedoen, daar koffie willen inschenken of in de kerkdienst een kaars willen aansteken.

Pastores hebben in de regel niet de indruk dat “in de detentieperiode een mooie ontwikkeling naar een gelouterd levensbesef zal plaatsvinden”. Maar dat betekent niet dat hun werk niet zinvol zou zijn. Dat het nuttig is blijkt volgens de Tilburgse theoloog H.J.M. Vossen onder meer uit de manier waarop gewerkt wordt aan een “hartelijk ruimte scheppen voor de ontdekking van de eigen waarden en waardigheid van de mislukte mens”. Aan de zielzorg door andere dan christelijke pastores wordt in het boekje jammer genoeg geen aandacht besteed.

De predikant/psychotherapeut H.J. Bodisco Massink schrijft dat een pastor met eigen doorleefde geloofservaringen en met een helder beeld over zaken als schuld, zonde, straf, boete, vergeving en bekering, goed kan aansluiten bij de geloofswereld van gedetineerden. Het zal wel zo zijn, maar hoe gaan de niet-christelijke zielzorgers - humanistische raadslieden, rabbijnen, imams en pandits - dan te werk?

Interessant is overigens wat Bodisco Massink schrijft over de gevaren waaraan de pastores blootstaan. Terwijl gedetineerden vaak niet weten wat zij van hen mogen verwachten, kunnen de pastores van hun kant al snel verstrikt raken in de verhoudingen binnen een gevangenis. Zij moeten die 'verstrikkingsmechanismen' herkennen en er goed mee om kunnen gaan. Mee-ageren met gedetineerden tegen de onrechtvaardige buitenwereld helpt niet, het omgekeerde (de pastor die al te sterk de verontwaardiging van de buitenwereld over de 'gewetenloze criminelen' deelt) evenmin. Gaat het in de hulpverleningssector in het algemeen om solidarisering met cliënten in termen van nabijheid, engagement en keuze voor de verdrukten, in dit geval, zo meent Bodisco Massink, zit het geheim vooral in de combinatie van compassie en distantie.