'Zee-idee' moet klant visvriendelijk maken

ROTTERDAM, 30 MAART.Van de Nederlandse huishoudens koopt 91,3 procent vis. Dat is veel, vindt het Nederlands Visbureau, maar de koopfrequentie ligt buitengewoon laag. Iets meer dan eenmaal per maand wordt vis op tafel gezet. Dat wil ook weer niet zeggen dat de consument zo weinig vis eet, want vijftig procent van de totale concumptie gebeurt niet thuis, maar bij de horeca, de bedrijfskantine, de haringkar of via catering.

Het Nederlands Visbureau beschikt sinds kort over zeer nauwkeurige gegevens omtrent het eten van vis in de huiselijke sfeer. In 1995 kregen 4.400 huishoudens een handterminal thuis, die in verbinding staat met de computer van het onderzoeksbureau. Met het apparaat moet worden gemeld op welke dag vis wordt gekocht, de hoeveelheid, de prijs en waar.

Uit de aldus verzamelde gegevens blijkt dat van het totale volume van 562.000 ton aan vlees, vleeswaren, pluimvee en vis het zeebanket een bescheiden plaats inneemt met 6 procent. Aan die produkten wordt bij elkaar ruim 6,85 miljard gulden uitgegeven. Daarvan gaat 6,3 procent naar vis en visprodukten.

Het onderzoek wijst uit dat de geregelde viseters een kleine kern vormen. Een hele grote groep wijst het eten van vis niet af, maar komt er ook niet toe om thuis vaker vis te eten. Bij die groep ligt voor het Visbureau de uitdaging. “Er is een enorm potentieel aan visconsumenten, pakweg de helft van de bevolking die onvoldoende vetrouwd is met het produkt vis om het vaker dan nu op de boodschappenlijst te zetten”, zegt R. Carp, directeur van het Nederlands Visbureau.

Het belangrijkste kenmerk van de geregelde viseter is dat hij een vast koopritme heeft. Hij gaat bijvoorbeeld elke vrijdag of zaterdag naar de viswinkel of de markt om bij voorkeur verse vis te kopen en die dezelfde dag op tafel te zetten.

De matige viseter heeft, zoals dat in marketingkringen heet, een 'lage breinpositie' voor vis. Hij denkt er dus niet aan dat vis ook op het menu zou kunnen staan, laat staan dat hij er gerégeld aan denkt. Als de matige viseter al vis koopt, dan doet hij dat omdat hij er in de supermarkt tegenaan loopt. Dat is dan geen verse vis, maar diepvries of conserven. En als hij al vis koopt, is de keus beperkt. Het blijft bij vissticks voor de kinderen, graatloze kabeljauwfilets, een haring, zalm of garnalen. Dat zijn vrijwel altijd impulsaankopen in verband met speciale aanbiedingen, een promotie-campagne of een aantrekkelijk en eenvoudig recept. “Er wordt heel wat afgetobd in Nederland”, zegt Carp. “Van vis heb je geen lekkere jus en wat moet je dan met je aardappelen? En wat voor groente past erbij? Daarnaast blijven graten en luchtjes een probleem vormen”.

Om de populariteit van vis te vergroten begint het Visbureau met een campagne, die de consument wat vaker aan vis moet doen denken. “Die boodschap kan door het jaar heen, afhankelijk van de seizoenen, worden ingevuld. Gebakken vis in de winter, haring in het voorjaar, mosselen na de zomer, ovenschotels in het najaar en feestelijke vis in de decembermaand”.

Het Visbureau ziet in verband met de 'stankassociatie' bewust af van het gebruik van het woord vis. Naar analogie van het Engelse begrip seafood is gekozen voor 'zee-idee'.

De zee als biotoop voor vis moet het onderscheid gaan maken met vlees en kip. De campagne dient vooral de jonge consument tussen 20 en 30 jaar aanspreken, want dat is net als de noorderling een relatief slechte viseter.