Witte Dame

In het clair-obscur van maart denk ik eerst aan de Witte Dame en dan aan Sanremo. Elk jaar weer. De Cipressa en de Poggio zijn kunstwerken van de natuur die de Primavera op het heetste kookpunt brengen, maar tegen de zondige bliksemstraal van de dama bianca die mijn jeugd zo diep raakte, kan de mooiste vluchtkoers van het jaar niet op. Haar naam zal blijven zingen van eeuw tot eeuw, geschraagd door verbeelding en heimwee. Met haar wil ik in zonde leven, zoals de bastaard Faustino.

De gedachte aan het geheime geluk van Fausto Coppi en de Witte Dame in het bigotte Italië geeft me soms nog vleugelen. Ergo: ze maakt van mij een onderworpen held die uit het lichtjes gehavende lichaam wil treden voor een nieuw groot avontuur, voor de kwadratuur van de droom. Deze week liep ik de Witte Dame in hoogsteigen persoon tegen het lijf. Het was in Amsterdam. Een zacht parfum waaide me toe. Extreem lijflustig en toch gevoileerd als stilstaand water hing ze op een barkruk. Aan haar jukbeenderen ontsprongen duizend rozen. Ik zei voorzichtig: “Zet een zonnebril op, bewaar uw gezicht voor de nacht.” Ze lachte hees en keek hoog over me heen, naar een horizon waar yuppen liepen. Of jonge veulens. De lach eindigde in een schreeuw.

Ik schrok wakker, zag alleen de kleur van beddelakens om me heen - ook wit. Even later kronkelde de Witte Dame weg in de walmen van mijn sigaret. Richting Faustino, richting Piemonte.

Vrouwen completeren niet alleen de legende van grote wielerkampioenen, zij zijn er de oorsprong en bestemming van. Rik Van Looy had zijn Nini, Eddy Merckx zijn Claudine: vrouwen met koninklijke voornamen die na elke klassieker aan een vallende wimper genoeg hadden om het volk in tranen te laten uitbarsten. Ook de dames van Jacques Anquetil en Luis Ocaña bereikten een Evita Peron-achtige onschendbaarheid. De brave Jean Robic vloeide na iedere gewonnen wedstrijd van dankbaarheid voor zijn vrouw omdat zij hem in de Hel van het Noorden en andere oorden van verschrikking hitsig en hanig had gehouden. Na Gea Breukink hebben wij nooit nog een vrouw aan de fotofinish gezien. Daarom gaat het zo slecht met deze wielernatie. Wielrennen is de sport van de ambiance rond lijden, stribbelen en sterven en ik ken geen koningsdrama waar niet een vrouw de inzet is van alle wankelmoedigheid.

Heeft u de Witte Dame naast Dick Jol ook zien staan? Nooit eerder sloeg het contrast van plattelandse bravoure en geslepen gratie me zo in het gezicht. Dick Jol voerde het woord. Hij had het over 'een lijdensweg in een spookstad met Donald Duck-stemmen, waar iedereen schreeuwde en gilde'. Ik geloofde Jol op zijn woord. Zijn ogen waren nog steeds de lachspiegels van een spookstad: brandend schroot, rennende mannen met bivakmutsen, lavaspuwende neonlichten, rondvliegend menselijk gebeente, kotsende casinotafels en sprintende lantaarnpalen. Reken maar dat Jol heeft afgezien. Je moet wel heel slecht volk zijn om een onschuldig mens zoveel misère aan te doen. Edoch, de arbiter wilde niet horen van rancune of drastischer vormen van represaille. Hij wil alleen maar fluiten.

Vertederd nam ik de opluchting van Dick Jol over het einde van de Haagse gokaffaire in ontvangst. Maar toen hij zei dat deze zaak alleen verliezers kent, werd ik weer een tikje achterdochtig. Dat zijn CDA-zinnen waar een Haagse volksjongen niet op komt. Zou hij dan toch een enkel illegaal gokje hebben gewaagd? En waarom praat hij nu zo snel en schichtig? Dat zomerjasje en die vrolijke das deugen eigenlijk ook niet. Een man die uit een hel van eenzaamheid herrijst ziet toch niet dat de zomer eraan komt?

Toen mijn geloof in de mensheid weer begon te wankelen verscheen mr. Bottinga in beeld. De advocate van Jol zei niets maar straalde als een ornamant van onschuld en schoonheid in de camera. Zij droeg haar winterjas nog en dreigde zelfs daarin te stikken in vrouwelijkheid. Met haar miniemste glimlach dompelde ze mij in een motregen van verlangen. Het hoofd mooi strak, met de glans van boenwas stond ze daar, quasi roerloos. En ik zei: kom op, Witte Dame, naar het strand. Kijkend naar mr. Bottinga wist ik het opeens heel zeker: nee, Dick Jol is geen gokker. Daar laten witte dames zich niet mee in.

Stort u in de vrouwen, meneer Staatsen, en er zal geen schuld meer zijn.