Tactloos volk!

Het uiterlijk van minister E.N. van Kleffens gaf onder zijn tijdgenoten al veel aanleiding tot verholen spot. Hij was een favoriet van de politieke cartoonisten uit de naoorlogse jaren veertig, want zijn broodvormige hoofd en zijn soms iets te korte broekspijpen plooiden zich even snel als makkelijk naar de tekenstift. De afgelopen weken dook zijn naam weer even op in het nieuws. Uit zijn dagboek, bijgehouden tijdens de oprichtingsvergadering van de Verenigde Naties in de zomer van 1945, waren enige notities opgegraven die hem een moeilijk vragenuur zouden hebben bezorgd als hij zich daarover nu in het parlement had moeten verantwoorden. Of het waar was dat de minister van buitenlandse zaken tijdens een lunch met zijn Amerikaanse collega Stettinius had gezegd dat de Amerikanen “geen manieren hebben noch zin daarvoor (wel hartelijkheid)”. De minister had dit nooit gezegd, zou hij naar waarheid hebben geantwoord, maar wel in zijn dagboek opgeschreven. Dat laatste zou hij natuurlijk niet hebben gezegd, want dat ging niemand aan.

In 1983 spraken wij elkaar naar aanleiding van de verschijning van zijn memoires (II) in De Witte. De grote sociëteitszaal bleek een ongelukkig gekozen ontmoetingsplaats. Ze was te luidruchtig voor de oud-minister, die in de feodale rust van zijn Portugese retraîte geen modern lawaai gewend was. We verhuisden naar een rustiger kamer op een hoger gelegen etage en namen de lift. Met ons stapten twee jolige messbedienden in van de officiersmess, die in hetzelfde gebouw was gevestigd. De eerste meende in Van Kleffens een bekende tv-figuur te herkennen en wierp olijk-amicaal de vraag op: 'Hebben we daar niet Kluk Kluk'?, waarschijnlijk doelend op een creatie van de tv-acteur Herbert Joeks. Van Kleffens, die zich nooit in zijn leven door een messbediende had laten aanspreken, deed alsof hij de vraag niet had gehoord. Waarop de tweede messbediende goedmoedig opperde dat Meneer Kluk Kluk zeker zijn dag niet had.

Het laatste deel van Van Kleffens' memoires was geen schaduw van het enkele jaren eerder verschenen eerste deel. Toch had Van Kleffens ooit aardige boeken geschreven. Zijn academisch proefschrift over de Japans-Nederlandse betrekkingen sinds het begin van de zeventiende eeuw getuigde van een poëtische kijk op de Japanse geschiedenis. En in zijn voor een internationaal publiek geschreven Overweldiging van Nederland (Londen, 1941) gaf hij een intiem beeld van het princiële, maar ook obstinate neutraliteitsdenken dat vóór de inval van de Duitsers de buitenlandse politiek van Nederland - en zijn eigen opvattingen - beheerste. Van Kleffens was een bewindsman met een legalistische inslag, wat voor iemand met een ambtelijke achtergrond op zichzelf niet zo verrassend was. Maar hij overdreef het nogal. In dat boek over de ondergang van de Nederlandse neutraliteitspolitiek verdedigde hij met verve zijn halsstarrige weigering om de militaire voorzorgen van de Nederlandse regering tegen een dreigende inval van Duitsland af te stemmen op Engeland en Frankrijk, omdat die voorzorgen op een gebrek aan vertrouwen in onze neutraliteit zouden wijzen.

In 1974 (toen hij al ruim vijfentwintig jaar oud-minister was) tracteerde hij de tafelgenoten van een Haagse eetclub nog eens op een lesje volkenrecht, dat te vermoeden gaf hoe groot de ballast van zijn juridische brein in zijn jaren achter de regeringstafel was geweest. De olieboycot, die de olieproducerende landen zojuist hadden afgekondigd, veroorzaakte in de eetclub (van voornamelijk oud-ministers) reacties die varieerden van somber pessimisme tot diepe verontwaardiging. De oud-minister van buitenlandse zaken vond die commotie volkomen misplaatst, want er was helemaal geen reden dat dreigement serieus te nemen. Grote verbazing bij zijn disgenoten. Niet gehinderd door begrip voor de politieke feiten hield Van Kleffens vol dat er helemaal geen boycot kon komen, eenvoudig omdat dat 'in strijd' was 'met het volkenrecht'.

Zijn door Cees Wiebes uitgegeven VN-dagboek (Jaarboek Buitenlandse Zaken, Sdu Uitgevers, Den Haag 1995) bevat behalve dit soort rechtlijnigheden ook enkele griezelige persoonlijke gedachten. Dat Van Kleffens zich als vertegenwoordiger van de Europese beschaving dagelijks doodergerde aan de domheid en de onbeschaamdheid van de Amerikanen had nog wel komische kanten, maar dat hij geen benul had van de menselijke en morele schade die de zojuist beëindigde oorlog aan die beschaving had aangericht pleitte niet voor zijn onderscheidingsvermogen. En vrij van antisemitisme was hij evenmin. Op 28 mei kreeg Van Kleffens bezoek van 'een jodin' die hem vroeg: “Mijnheer, al mijn familieleden zijn in Polen door de Duitschers afgemaakt, wat moet ik nou doen”? “() Om dit te doen bedaren dronken wij in het hotel een afzakkertje”. “Middelmatige Nederlanders”, zo ging hij dagboekschrijvend verder, “zijn helaas dikwijls grof en onbescheiden, tactloos volk”. Het afzakkertje was gedateerd op de dag waarop enkele tienduizenden overlevenden van de concentratiekampen nog met onbekende bestemming door de Sovjet-Unie zwierven, in afwachting van transport naar huis.