Spelling

Het artikel van Liesbeth Koenen in de boekenbijlage van 23 maart over de perikelen van de nieuwe spelling was hartverwarmend: eindelijk eens wat kritiek en relativisme in de discussie over de hoogheilige uniforme spelling van het Nederlands. Het meest relevant lijkt haar impliciete conclusie dat het feitelijk onmogelijk is goede regels te formuleren voor het schrijven van de tussenklank in samenstellingen. Maar relevanter - en dat is de reden van deze reactie - is dat de kritische houding haar niet brengt tot de algemenere stelling dat regulering van de spelling van overheidswege uit de aard der zaak ongewenst is.

Spelling is uit taalsociologisch standpunt bezien een aspect van taalgedrag, onderworpen aan mode en symbolisch voor maatschappelijke stellingname en oriëntatie. Ze verschilt in dat opzicht niet van ander maatschappelijk gedrag als het dragen van een stropdas of een broek van spijkerstof, eventueel gerafeld, eventueel met gaten. Daarmee zal een minister van een beschaafd land zich niet bemoeien. Bovendien betreft het een aangelegenheid zonder enig voorstelbaar nadeel. Zoals ook niemand nadeel ondervindt van de afbreekfouten in de hedendaagse kranten. Zodra je zegt dat je een woord overal mag afbreken is het probleem opgelost. Inzake spelling kan het onderwijs zichzelf heel goed redden. Men zou de praktijk van een of andere leergang of uitgeverij kunnen volgen, maar de overheid heb je daarvoor niet nodig. Over blijft dan de maatschappelijke discussie die in zoveel omgevingen telkens weer oplaait over sociaal gedrag. Juist bij taalkundigen, die anders zoveel eerbied hebben voor de autonomie en creativiteit van de taalgebruikende mens, mag je zulke inzichten en opvattingen verwachten.

Ik zie eigenlijk maar één echt argument voor strakke regels: het jaarlijkse carnaval van Het Groot Diktee Der Nederlandse Taal.