Relaties Nederland en Frankrijk zijn 'au fond vriendschappelijk'

TURIJN, 30 MAART. Minister Hans van Mierlo (Buitenlandse Zaken) en zijn Franse ambtgenoot, Hervé de Charette, gaan een nieuwe poging ondernemen Nederland en Frankrijk on speaking terms te brengen over het drugsbeleid. Beide ministers hebben afgesproken elkaar daartoe “binnenkort” te ontmoeten.

Minister Van Mierlo zei dat gisteren na afloop van de Europese top in Turijn. De ruzie met Parijs over het Nederlandse drugsbeleid is de afgelopen weken geëscaleerd, onder andere door een rapport van een Franse senator waarin Nederland wordt betiteld als een 'narco-staat'. Premier Kok hekelde onlangs de emotionele “gedrevenheid” van president Chirac als deze zich over drugs uit. Frankrijk maakte deze week bekend dat het, in weerwil van het verdrag van Schengen, de noordgrenzen niet wil slechten uit onvrede met het Nederlandse drugsbeleid.

Kok en Chirac zelfs wisselden gisteren op de bijeenkomst in Turijn geen woord over het Nederlandse drugsbeleid. Ze stonden zij aan zij tijdens de traditionele 'familiefoto' op het voormalige complex van Fiat waar de conferentie plaatshad. Maar Chirac maakte tegen de Nederlandse premier alleen een opmerking over de hoogte waarop zij stonden en over Italiaanse en Franse automerken. Kok kon daar alle begrip voor opbrengen: “De bijeenkomst in Turijn ging niet over drugs. Dit soort zaken kun je niet even met een vluggertje van twee minuten afdoen.”

Afgelopen maandag al, tijdens een vergadering in Brussel, liet minister De Charette aan Van Mierlo weten dat de Franse regering de term 'narco-staat' voor Nederland niet overneemt. Volgens De Charette bestaat er “een meningsverschil” over het te voeren drugsbeleid, maar moet dat verschil van inzicht worden opgelost zoals normaal is: via de weg van “actieve en verdiepte consultatie” tussen de twee regeringen. Gisteren verklaarde Van Mierlo dat de betrekkingen met Frankrijk “au fond vriendschappelijk” zijn en dat beide ministers het eens zijn dat er een klimaat moet groeien “waarin dingen bespreekbaar zijn”. “We zijn er ons beiden van bewust dat, naarmate de korzeligheid toeneemt, oplossingen voor de problemen niet dichterbij komen”, aldus Van Mierlo.

Volgens de bewindsman zal “op verschillende niveaus” worden getracht “de gesprekken weer op gang te brengen”. Die toevoeging “op verschillende niveaus” kan interessant zijn, omdat binnen de Nederlandse delegatie in Turijn werd gesuggereerd dat ook in Franse regeringskringen het harde optreden van Chirac tegenover Nederland niet onverdeeld gelukkig wordt gevonden. “Van verschillende functionarissen krijgen we bijna verontschuldigingen voor het optreden van Chirac”, aldus een diplomaat. Minister De Charette zelf zei afgelopen maandag dat er “geen vloeitje verschil [zit] tussen het standpunt van de president en het mijne”.

Maar dat laatste wil niet zeggen dat De Charette ingenomen is met de manier waarop Chirac Nederland publiekelijk aan de schandpaal nagelt. In Brussel, en ook gisteren in Turijn, bestaat de indruk dat in veel EU-lidstaten de wenkbrauwen worden gefronst over de handelwijze van Chirac. De Belgische premier Dehaene hekelde onlangs de “agressieve” manier waarop Frankrijk het Nederlandse drugsbeleid aanvalt. Tegelijkertijd is het duidelijk dat het Nederlandse gedoogbeleid in maar weinig landen sympathie ondervindt.

Nederlandse diplomaten zeiden gisteren in Turijn dat Nederland in het Europese gezelschap niet met de nek wordt aangekeken wegens zijn afwijkend drugsbeleid. “Nederland is niet het zwarte schaap”, zo oordeelde ook een buitenlandse ambtenaar. “Nederland wordt althans niet op een bijeenkomst als deze tot het zwarte schaap gemaakt. Het onderwerp komt hier helemaal niet ter sprake. Maar u weet dat verschillende nationale lidstaten hun geluiden hebben laten horen over het Nederlandse beleid.”

Ook de Griekse minister van Buitenlandse Zaken, Pangalos, met wie Van Mierlo onlangs nog een conflict uitvocht over een spionagekwestie, liet zich gisteren gematigd uit over het Nederlandse drugsbeleid. Hij zei desgevraagd dat Griekse deskundigen de Nederlandse “experimenten” nauwgezet hebben bestuurd en besloten hebben ze niet over te nemen. Dat betekent niet dat Griekenland Nederland daarover aanvalt, “maar we hebben natuurlijk ook geen grenzen met uw land”. Ook Italië maakt zich niet zo druk als Frankrijk om het Nederlandse drugsbeleid. “We zijn te ver weg om de gevolgen ervan te merken”, merkte een Italiaanse diplomaat gisteren in Turijn op. In Italië zelf is nauwelijks draagvlak voor een gedoogbeleid.

Volgens minister Pangalos is het niet wenselijk het drugsbeleid in Europa te harmoniseren. “De gevoeligheden in de maatschappijen zijn zo verschillend, dat dat moeilijk zou zijn. Daar moet je niet aankomen.” Om die reden wil Pangalos zich ook niet bemoeien met de drugsruzie tussen Nederland en Frankrijk. De Franse president, Chirac, heeft op een Europese top december in Madrid voorgesteld te komen tot een geharmoniseerd Europees drugsbeleid. Op verzoek van Nederland werd dit voorstel veranderd in een studie naar de wenselijkheid van harmonisatie.

Ook in het noorden van Europa blijken de meningsverschillen over het drugsbeleid groot. Zweden is bijvoorbeeld voorstander van een zeer streng beleid. Tijdens de toetredingsonderhandelingen van Zweden tot het Verdrag van Schengen blijken de reserves tegenover de grensoverschrijdende gevolgen van het Nederlands drugsbeleid. Denemarken kan meer begrip opbrengen voor het Nederlandse gedoogbeleid. Dat geldt in ieder geval voor de Deense hoogleraar publiek recht, Krarup, die namens de Deense 'juni-beweging' (fel anti-Europee Unie) in het Europees parlement zetelt. “Drugs is ook een hot item in Denemarken. Ik sta volledig achter het Nederlands beleid om meer nadruk te leggen op preventie. Maar in mijn eigen land behoor ik wellicht ook tot de minderheid”, zei hij gisteren in de wandelgangen van Turijn.

België en Luxemburg, die deze week ook werden getroffen door de Franse weigering de grenscontroles op te heffen, stellen zich op het standpunt dat Chirac te agressief optreedt in het drugsconflict. Ze steunen het Nederlandse drugsbeleid niet maar vinden het een binnenlandse kwestie zolang Nederland oog heeft voor de gevolgen voor het buitenland.