Premier Offermans en zijn tweede bureau

HUGO DE RIDDER: Mont Ducal

240 blz., Lannoo 1995, ƒ 50,10

Hugo de Ridder werkte ruim twintig jaar als verslaggever in de Wetstraat, het epicentrum van de Belgische politiek. Hij wilde de interne mechanismen eens beschrijven en de grijze zone tussen carrière en persoonlijk leven. Het werd een strijd tussen vorm en inhoud. Een biografie van een bekend politicus kent altijd een vorm van (zelf)censuur, door hem zelf of diens nabestaanden. De Ridder, die al diverse echte standaardwerken - bijvoorbeeld Omtrent Wilfried Martens - heeft geschreven, verbond biografische elementen met fictie en kwam zo op een 'biogra-fictie'. “Wat je leest is niet wat er staat. Wat er staat is niet wat het lijkt”, zegt De Ridder waarschuwend in zijn voorwoord. Hij schept een hoofdfiguur, premier Bert Offermans die met zjn bijna hondstrouwe 'chef de cabinet' Frans Verrees het hele land bestiert. Rond Offermans figureren jeugdvrienden die later sleutelposities innemen, en zijn minnares Monica DeWitte, tevens persoonlijk assistente. Via deze personen laat De Ridder zien hoe België wordt bestuurd, zonder dat hij zich de woede van de Wetstraat op de hals haalt.

Toch zijn er wel parallelle lijnen te trekken. Mont Ducal, het kasteeltje waar Offermans zijn politieke en amoureuze leven combineert, is een variant op Val Duchesse, het kasteeltje in Brussel waar de Belgische regering wekelijks vergadert.

Ook Offermans combineert bekende karaktertrekken. Hij bezit het sprekerstalent van voormalig premier Leo Tindemans, het zitvlees van ex-premier Wilfried Martens en het initiatief van zittend premier Jean-Luc Dehaene. En toch is Offermans niet het evenbeeld van een enkele premier. Hier hanteert De Ridder bewust zijn fictie. De kabinetschef heeft ook alle noodzakelijke eigenschappen: trouw, dossierkennis, en het gedrag van de eeuwige tweede man. En de minnares Monica - het is in de Latijnse politieke cultuur niet ongebruikelijk dat politici ook nog een 'deuxième bureau' (tweede bureau) hebben - dient als klankbord voor de eerste minister met het politieke virus.

De Ridder begint vervolgens met deze elementen te spelen en tekent een beeld aan de hand van een dialoog tussen Frans de kabinetschef en Monica, het tweede bureau. De mensen immers die de premier het best kennen. Bert Offermans, een geboren leider, komt net als Dehaene op via de scoutsverening (de padvinders) en wordt al snel eerste man van de katholieke jongeren, net als Martens. In België zijn de 'scouts' en de politieke jongerenorganisaties veel sterkere kweekvijvers dan in Nederland. De eigen leiders komen uit de eigen zuil, en zelden van buitenaf. Offermans wordt 'gepistoneerd' door de stichter van de christen-democratische partij. Het is duidelijk dat De Ridder zijn eigen ervaring in de mond van zijn figuren legt. “Ik heb tientallen keren meegemaakt hoe ouderen de 'jonge Turken' aanmoedigen in opstand te komen tegen verstarde denkbeelden van de middengeneratie.” Daarom moeten de jongelui “op beschaafde wijze tegen de bestaande structuren revolteren”. Een herkenbaar beeld voor wie in de politiek werkt.

Voorkeurstemmen

De jonge Offermans-kliek vaart stroomopwaarts op de vleugels van de jongerenorganisatie, komt op, zet een oudgediende aan de kant en behaalt meteen 29.000 voorkeurstemmen. In België is niets belangrijker dan voorkeurstemmen, eventueel bijeen te garen via cliëntelisme. Wie een sterke cliëntèle heeft, heeft veel voorkeurstemmen en daarmee een sterke positie in de partij. Dat kan een plek in de regering opleveren. Dat is in Nederland anders. Een Nederlandse premier heeft niet erg graag 'partijgangers' in de regering; veeleer deskundigen van buitenaf. Offermans wordt minister van landbouw, een mooi juniordepartement, en neemt zijn politieke vrienden op in zijn ambtelijke entourage. Ook dat gebeurt in Nederland zelden. Het is bijna een doodzonde. Frans Verrees wordt de kabinetschef, en Monica DeWitte - die voorheen werkte bij het Vlaams Economisch Verbond - zijn persoonlijk raadgever. De oppositie zet het woord 'persoonlijk' al meteen tussen twee aanhalingstekens, terwijl de pers zwijgt. De andere vrienden worden voormannen in zuilorganisaties, zoals de Boerenbond, de christelijke vakbeweging of de middenstandsvereniging. Of ze komen bovendrijven via partijwegen, als de studiedienst. In Nederland staan de wetenschappelijke bureaus van partijen op de achtergrond. Maar in België spelen ze een sleutelrol. Vooral bij de christen-democratische CVP is de studiedienst een springplank voor een partijcarrière.

Met de verhouding tussen de premier en zijn assistent raakt De Ridder een teer punt. Monica betrekt 'Mont Ducal', het kasteeltje in Waals Brabant, en wordt er gastvrouw voor de vrienden van Offermans - de Montducalisten genoemd - en de premier zelf. Mevrouw Offermans komt in het verhaal amper voor. De Ridder laat Monica een waarheid zeggen die vaak niet kan worden gezegd. “Politici vragen van hun omgeving belangstelling en begrip. Ze hebben nood aan hun raadgevers, vertrouwelingen en hier spelen journalisten en zeker ook vrouwen - echtgenotes en anderen - volgens mij een bijzondere rol.”

Veel waarnemers namen De Ridder zulke passages erg kwalijk omdat het een verwijzing leek naar een affaire van ex-premier Martens in de jaren tachtig. De Ridder zou over de schreef zijn gegaan door het liefdesleven van politici in beeld te brengen. De auteur verweert zich met de woorden dat het boek een 'biogra-fictie' is. In België wordt, net als in Nederland, het amoureuze leven van de politieke klasse niet vermeld. De kwaliteitspers houdt zich aan deze ongeschreven regel; de roddelpers veel minder. In Engeland of de VS is het persoonlijke leven wel een publieke zaak. Deze grijze zone levert steeds problemen op. Er is immers geen strikte scheiding tussen persoonlijk en publiek leven te maken. Het een kan niet zonder het ander. Anderzijds is het ranzig om in het privéleven van politici te graven.

Via Frans zegt De Ridder: “Na al die jaren heb ik geleerd om milder over de politici te oordelen. Het zijn mensen met hun grote en kwade dagen, een beetje verscheurd, vaak gekweld. Ik heb juist in de politiek veel mooier en gedrevener mensen ontmoet dan in het zakenleven of de bureaucratie.” Monica heeft nogal wat invloed op Offermans, die later premier wordt. Het gebeurt niet zelden dat vanaf het 'tweede bureau' politiek wordt bedreven. De onbeantwoorde vraag is hoe de journalistiek er mee moet omgaan.

Openheid

De politieke journalistiek zelf komt er niet zo fraai van af. In Mont Ducal zijn ze instrumenteel voor politici. Er wordt 'ingestoken' of 'gesuggereerd'. Politieke journalisten mogen bij de macht aanschuiven als ze 'dienstbaar' zijn. Ze moeten een boodschap overbrengen. Als er echt zaken worden gedaan op Mont Ducal mag journalist Herman thuisblijven.

Ook daar zit een kern van waarheid in. De Belgische pers is niet meer zo partijgebonden als tien jaar geleden, maar de media worden nog wel altijd als 'nuttig instrument' gezien om de macht te behagen. De echte politiek voltrekt zich in achterkamers en partijcentrales; er is geen pers bij. Dat is overigens in Nederland niet veel anders, al suggereren voorlichters graag 'openheid'. Politici die zaken willen doen kunnen dat juist niet gebruiken. De pers is er dus nooit bij als het 'echt' gebeurt, een ervaring die niet vrij is van frustratie. Deze verhouding pers-politiek heeft eigenlijk weinig aandacht in De Ridders boek gekregen. Het fenomeen van het 'deuxième bureau' zorgt al voor genoeg ophef.

Mont Ducal is een gebruiksaanwijzing voor de geheime keuken van de Belgische politiek, dank zij de fictie, en daarmee een van de best verkochte Vlaamse boeken. Voor zijn volgend boek stapt De Ridder weer over op de 'feiten': hij werkt nu aan een biografie van Jean-Luc Dehaene.