Journalist Robert D. Kaplan: 'Veel ellende ontstaat doordat het beter gaat'

ROBERT D. KAPLAN: The Ends of the Earth. A Journey at the Dawn of the 21st Century*)

476 blz., Random House 1996, ƒ 55,55

Op het historische moment in 1993 dat Yitzhak Rabin en Yasser Arafat elkaar in de tuin van het Witte Huis de hand schudden, was de Amerikaanse journalist Robert Kaplan in een vliegtuig van Air Afrique op weg naar Bamako, in het Afrikaanse land Mali. Het echte nieuws speelde zich volgens Kaplan niet af in Washington, maar in de sloppenwijken aan de rand van de oprukkende woestijn, die hij uit zijn raampje kon zien terwijl zijn toestel de landing inzette.

Vrijwel alle steden in de Derde Wereld worden omringd door zo'n zee van hutjes, gemaakt van golfplaat, plastic en karton. Op landkaarten zijn ze niet aangegeven en ze komen zelden in het nieuws. Maar voor de toekomst van onze beschaving zijn ze belangrijker, aldus Kaplan, dan de steden en voorsteden die op alle kaarten staan, de politieke centra waar staatshoofden hun best doen de geschiedenis richting te geven. De misdaad en wetteloosheid die er in de sloppenwijken heersen, de overbevolking, de ziektes en de dramatische vervuiling van het leefmilieu zouden ons iets laten zien van de toekomstige toestand van de wereld.

Uit die apocalyptische optiek schreef Kaplan ruim twee jaar geleden een spraakmakend essay over de politieke en maatschappelijke chaos in West-Afrika en een groot deel van de Derde Wereld. Onder de titel The Coming Anarchy verscheen het in februari 1994 in het Amerikaanse tijdschrift The Atlantic Monthly (en op 14-5-94 in het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant). Om te begrijpen wat er de komende vijftig jaar in de wereld staat te gebeuren, betoogde hij, moeten we naar de chaos kijken die in landen als Sierra Leone en Liberia heerst, naar de verpauperde massa's die daar aan de randen van de steden een uitzichtloos bestaan leiden (“die zijn blijven steken in de geschiedenis”), en naar de bendes van militairen en bandieten die stad en land onveilig maken. In die door en door corrupte landen is de staat allang zijn geweldsmonopolie kwijt. De enorme vluchtelingenstromen hebben de internationale grenzen hun betekenis ontnomen, alleen grenzen tussen stammen en culturen staan nog overeind. Het hele idee van de natie-staat is er op fatale wijze ondergraven.

Spanningen

“West-Afrika”, schreef Kaplan, “is het symbool aan het worden van de demografische, maatschappelijke en door milieuvervuiling veroorzaakte spanningen over de hele wereld, waaruit een criminele anarchie te voorschijn komt als het werkelijke strategische gevaar.” En: “West-Afrika kan voor het toekomstige karakter van de internationale politiek even belangrijk zijn als de Balkan honderd jaar geleden, voorafgaand aan de twee Balkan-oorlogen en de Eerste Wereldoorlog.” We zouden ons moeten realiseren dat voor grote aantallen mensen op deze planeet oorlog en anarchie een stap vooruit kunnen betekenen ten opzichte van hun alledaagse bestaan.

Het artikel trok grote aandacht, zeker toen enkele maanden later het bloedbad in Rwanda het sombere toekomstscenario van Kaplan leek te bevestigen. Volgens de Amerikaanse pers lazen onder meer president Clinton, zijn veiligheidsadviseur Anthony Lake en minister van buitenlandse zaken Warren Christopher het stuk, waarvan de strekking even omstreden als gewaagd was. Na het einde van de Koude Oorlog, beweerde Kaplan, zou niet Francis Fukuyama's 'einde van de geschiedenis' intreden, maar een periode waarin de internationale betrekkingen gedomineerd worden door chaos.

Terwijl het artikel in de Verenigde Staten bediscussieerd werd in politieke kringen en in krantenkolommen zette Kaplan zijn reizen door de Derde Wereld voort. Na West-Afrika, Egypte, Turkije en de Kaukasus trok hij naar Iran, China, India, Thailand en Cambodja. Zijn ervaringen, die zijn theorie niet altijd bevestigden, beschreef hij in het pas verschenen boek The Ends of the Earth, dat hij zelf aanduidt als een reisverhaal, verweven met beschouwingen over internationale betrekkingen.

“Ik ging op reis om na te gaan wat de zwakke plekken in het artikel waren”, vertelt Kaplan (43) in zijn studeerkamer in de kelder van zijn huis in Potomac, een bosrijke buurt buiten Washington. “Het artikel was een theoretische beschouwing, ook al steunde ik op mijn reiservaringen om mijn stelling te illustreren, om van het saaie script als het ware een film te maken. Maar het boek is in de eerste plaats een reisverslag, de theorie komt op de tweede plaats. Ik wilde niet gedwongen zijn om alles uit het artikel te verdedigen, om elke ervaring te moeten inpassen in mijn uitgangspunt. Op reis overkomen je altijd dingen die je eerdere oordelen ontzenuwen of tegenspreken. Ik wilde me daar geen zorgen over hoeven maken, ik wilde me voor iedere belevenis kunnen openstellen. Onvermijdelijk leidde dat tot een nuancering van mijn stelling. Aan het eind van mijn reis waren mijn opvattingen minder dogmatisch.”

Limousine

Herhaaldelijk gebruikt Kaplan in zijn boek een beeldspraak die hij ontleent aan Thomas Homer-Dixon, een deskundige op het gebied van internationale conflicten aan de universiteit van Toronto: stel je een verlengde limousine voor in de straten van New York, waar daklozen en bedelaars leven. In de auto bevinden zich de post-industriële samenlevingen van Noord-Amerika, Europa, de nieuwe Aziatische industrielanden en delen van Latijns Amerika, de ontwikkelde regio's met hun handelsakkoorden en computersnelwegen. Buiten de auto bevindt zich de rest van de mensheid, die een hele andere kant opgaat. Kaplans boek is het verslag van een reeks wandelingen buiten die limousine, in het deel van de wereld waar de overgrote meerderheid van alle kinderen geboren wordt en opgroeit.

Kaplan beschrijft het leven in Washington en Chicago - twee modderige bidonvilles in Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust. In Sierra Leone spreekt hij met een minister die van elke illusie beroofd is (“dit is de opstand der armen”), en maakt hij mee wat het betekent wanneer de regering als morele kracht of organisator van het openbare leven in feite niet meer functioneert. In Turkije ontdekt hij een sloppenwijk waar zowaar een zekere orde heerst en daarmee hoop. Ook in Iran vindt hij een samenleving die samenhang en veerkracht vertoont. Maar in het verre westen van China ervaart hij hoe weinig de macht van Peking daar te betekenen heeft, en hoe de explosieve groei van de economie volkomen voorbij gaat aan streken op het platteland. En in Cambodja ten slotte ziet hij hoe een verfijnde, eeuwenoude beschaving geen enkele garantie biedt tegen de meest gruwelijke anarchie.

“Ik ontdekte dat armoede niet het echte probleem is”, zegt hij, “maar afgunst en niet verwezenlijkte verwachtingen. Veel van de politiek instabiele gebieden in de wereld maken juist een economische ontwikkeling door. Of er een middenklasse is maakt niet zoveel uit. De economische groei zie je vooral in een nieuw sub-proletariaat, mensen die van hun dorpjes naar de sloppenwijken van de stad komen om werk te zoeken in nieuwe fabrieken. Voor het eerst in de collectieve geschiedenis van hun families komen ze in loondienst. Voor economen is dat prachtig, die zeggen: het gaat goed, hun inkomen stijgt. Maar ze leven in een overvolle, vervuilde omgeving, die hun en hun kinderen nauwelijks iets te bieden heeft. Ze beseffen opeens: wat was ik al die tijd een sukkel, ik wil meer bereiken, meer hebben - en daardoor worden spanningen aangewakkerd.

“Het belangrijkste dat ik leerde was dat het debat tussen pessimisten en optimisten onzinnig is. Het gaat niet slechter of beter met de wereld, het ligt gecompliceerder: veel onrust, chaos en ellende ontstaat juist doordàt het beter gaat. De groei van economieën verloopt dikwijls onrechtvaardig, pijnlijk en wreed, daar geeft de geschiedenis genoeg voorbeelden van. De wereld ontwikkelt zich nu sneller dan ooit te voren, en ik ben ervan overtuigd dat de eerste decennia van de volgende eeuw daarom heel onrustig en gewelddadig zullen zijn.”

Is de situatie waarin ontwikkelingslanden zich nu bevinden wezenlijk verschillend van die in Europese landen aan het begin van de industriële revolutie?

Kaplan: “In Azië zou je de vergelijking kunnen maken. Als je nu naar China of India gaat kun je zien hoe Londen er in de negentiende eeuw uitzag. Maar er zijn grote verschillen: de bevolkingsdichtheid in Azië is nu veel groter, het milieu is veel ernstiger vervuild en omdat de hele wereld met elkaar in contact staat kunnen de Aziaten zien wat er elders in de wereld te koop is. Engeland was in de negentiende eeuw nog echt een eiland, een natie-staat die op zich zelf stond. In Afrika ligt het weer heel anders, omdat de bevolking daar sneller groeit dan in Azië, terwijl er geen industriële revolutie is om die ontwikkeling te ondersteunen. Dat maakt de situatie nog veel zorgwekkender.”

In Sierra Leone zijn deze maand verkiezingen gehouden. Is dat geen teken dat het minder slecht gaat dan u had verwacht?

“Ik geloof niet dat verkiezingen op zichzelf een oplossing kunnen bieden. Een democratie kan niet zomaar ingesteld worden, zij moet groeien. Het Westen kan democratie niet afdwingen door verkiezingen te organiseren, een lint door te knippen, ze een succes te verklaren en weer weg te hollen. Staten worden gevormd door van alles: etnische zuiveringen, geografische omstandigheden, migratie, etniciteit, noem maar op, maar niet door verkiezingen. Het verspreiden van democratie leidt al te vaak tot de institutionalisering van etnische haat. Dan worden er bijvoorbeeld twee partijen opgericht, ze hebben mooie namen als De Vrijheidspartij of zo. Maar iedereen weet dat de ene partij de ene etnische groep vertegenwoordigt, en de andere partij de andere groep. In Rwanda is dat gebeurd, daar was het partijensysteem een geïnstitutionaliseerd mechanisme voor de organisatie van doodseskaders.”

Is er dan wel iets wat het Westen kan doen, anders dan zich afzijdig houden?

“Het Westen kan steun geven aan programma's voor herstel van het milieu, voor verbetering van het onderwijs en beperking van de bevolkingsgroei. Dat is effectiever dan hier of daar een bepaalde regering in het zadel helpen, een aanpak die op den duur gedoemd is te mislukken omdat binnenlandse gebeurtenissen in een ver land nu eenmaal niet zijn te beheersen. En we kunnen ons geen mislukkingen in de Derde Wereld meer veroorloven, al was met maar doordat die hier in Amerika het isolationisme verder aanwakkeren.”

Het toekomstbeeld dat u schetst is uiterst somber, uw beeld van de mensheid hier en daar gruwelijk. Toch deinst u terug voor de constatering dat de geschiedenis zinloos is en nergens toe leidt.

“De titel van mijn boek heeft een aantal betekenissen. The Ends of the Earth zijn de uiteinden van de wereld, de afgelegen plekken waar ik naar toe ben gereisd. Het is ook een toespeling op de vernietiging van moeder aarde. En ten slotte kun je denken aan de bedoelingen, de beloftes die de aarde belichaamt. Ik geloof dat er vooruitgang in de geschiedenis is, maar niet dat er ooit een hoogtepunt wordt bereikt of een einde van de geschiedenis. Ontwikkeling is ook zelden een ondubbelzinnige beweging, al maken we dat er naderhand graag van.

“Neem Cambodja. Dat land valt niet uiteen in armoede en chaos en het werkt zich evenmin op tot grotere welvaart: het gebeurt allebei tegelijk. De regering is machteloos, het door de Verenigde Naties begeleide proces van democratisering is slechts een façade. Maar ondertussen bruist het in Phnom Penh wel van de ondernemingszin - onder de buitenlanders. De machtige buurlanden Vietnam en Thailand profiteren van de ontreddering in het land, ze kopen het praktisch op. De gemiddelde Cambodjaan is daar wellicht bij gebaat, maar voor het land als geheel zou het wel eens heel riskant kunnen zijn. Of het erg is als het land wordt ondergraven terwijl de individuele burgers er economisch misschien wel op vooruit gaan? Dat hangt er maar van af hoezeer je gehecht bent aan het idee van een natie-staat.”

Dat uw artikel twee jaar geleden zoveel stof deed opwaaien had er zeker mee te maken dat het ook een dramatische waarschuwing bevatte voor het welvarende Westen. West-Afrika zou het voorland van de hele planeet zijn. Gelooft u dat nog steeds?

“Het artikel, dat grotendeels over Afrika ging, was negatiever dan het boek, waarin Afrika maar drie hoofdstukken beslaat en ik meer ruimte heb voor positieve voorbeelden, en daarmee voor nuancering. De ene sloppenwijk is de andere niet. Naarmate ik meer reisde kreeg ik niet meer antwoorden, maar juist meer vragen. Maar één ding was zonneklaar: overal waar ik kwam zag ik dat er minder en minder leiding werd gegeven, of geaccepteerd, van boven. De piramide van de macht is platgedrukt, zodat steeds meer mensen hun lot in eigen hand nemen. Dat heeft goede kanten, maar leidt ook tot veel spanningen en problemen.

“En overal waar ik kwam zag ik een stukje van Amerika weerspiegeld. Zeker, in overdreven vorm: we zullen hier niet omkomen door overbevolking, we zorgen beter voor het milieu en we maken, behalve in de Great Plains, ons grondwater niet op. Maar dit land heeft veel problemen die vergelijkbaar zijn met de landen waarover ik schrijf, en dan bedoel ik niet alleen de verpauperde binnensteden. Onze natie-staat is verzwakt, we worden ons weer sterk bewust van onze etnische en minder van onze nationale identiteit, onze grenzen stellen steeds minder voor. Noord-Amerika zal in de volgende eeuw opnieuw gedefinieerd worden. Maar ik kan hier eigenlijk nog te weinig over zeggen, dit is het onderwerp van mijn volgende boek.”

*) De Nederlandse vertaling 'Reis naar de einden der aarde' (door Edlof en Barry van Heijningen) verschijnt in juni bij uitgeverij Het Spectrum, en kost ƒ 49,90