'Ik knap hier alleen een sombere boel op'

OSWIECIM, 30 MAART. Janusz Marszalek is de projectontwikkelaar van het hoogst omstreden winkelcentrum dat wordt gebouwd pal tegenover de ingang van het vroegere concentratiekamp Auschwitz. Als hij het had gewild, zegt hij, had hij zich vorige week van alle ellende kunnen bevrijden. Er belde iemand die bereid was de grond, compleet met alle gebouwen en de bijbehorende plannen, van hem over te nemen. “En weet u waar het telefoontje vandaan kwam? Uit Israel. Ik heb de beller nog gevraagd of hij niet bang was voor kritiek van joodse organisaties. Nee, absoluut niet.”

Dat het om een grap zou kunnen gaan is niet in Marszaleks hoofd opgekomen, en ook niet dat de koper het terrein misschien wel wilde hebben om het vervolgens braak te laten liggen. Het doet er ook niet toe, want Marszalek heeft het aanbod vriendelijk maar beslist van de hand gewezen. Hij beschouwt het tumult nog steeds als een storm in een glas water.

Kampslachtoffers en joodse organisaties in Polen noemden het project, waarmee in november vorig jaar werd begonnen, onlangs “moreel onacceptabel en schandalig”. De Israelische ambassadeur in Polen, Gershon Zohar, vond dat met het winkelcentrum een “confrontatie” werd geriskeerd. De Poolse regering, die aanvankelijk terughoudend reageerde, heeft de plaatselijke autoriteiten gevraagd hun toestemming voor het project te heroverwegen.

Intussen gaat de bouw echter gewoon door, al lijkt Marszalek aan de verliezende hand. Krakchemia S.A., de Poolse onderneming die de winkels zou gaan beheren, trok zich eerder deze week uit het project terug en de provincie Bielsko Biala, waartoe de stad Oswiecim (de Poolse naam voor Auschwitz) behoort, loert op een kans om de bouw stil te leggen - tot nu toe echter zonder resultaat.

“De overheid zou opdraaien voor alle kosten”, aldus Marszalek. “We leven niet meer in de tijd van het communisme. Het project voldoet aan de juridische eisen en kan dus niet zomaar worden gestopt. Ook Krakchemia kan niet eenzijdig het contract opzeggen. We studeren op de juridische consequenties.”

De 40-jarige Marszalek is geen gewone projectontwikkelaar. Het geld dat hij met het omstreden winkelcentrum hoopt te verdienen, is bedoeld voor zijn stichting Maja, die een 'SOS Kinderdorf' bij Oswiecim beheert. De bouw van een tehuis voor weeskinderen is een droom die Marszaleks leven beheerst sinds hij in 1987 een bezoek bracht aan een soortgelijk Kinderdorf in Duitsland.

Alsof de duvel ermee speelt, is de stichting Maja gevestigd in het voormalige nonnenklooster aan de rand van Auschwitz dat een paar jaar geleden middelpunt was van een vergelijkbaar conflict: een klooster zo dicht bij het voormalige kamp, in het vroegere theater dat door de Duitsers werd gebruikt als opslagplaats voor het gifgas Zyklon b, was volgens velen onduldbaar. Na langdurige protesten besloot de kerk, met tegenzin, het klooster te verplaatsen. Een 'grosse Gaunerei' noemt Marszalek het gedonder van toen - maar, voegt hij er aan toe “de schuld lag niet aan de joodse kant, het conflict was het gevolg van intern katholiek geruzie”.

Marszalek is verrast door de internationale reacties op zijn plannen. En hij niet alleen. Ook de gemeente Oswiecim begrijpt niets van de commotie. “De berichtgeving in de buitenlandse media is sterk overtrokken”, zegt Kataryna Kwiecien van de afdeling cultuur en sport. “Het gaat slechts om een modernisering van bestaande winkels. Er wordt daar geen Disneyland gebouwd. Het is allemaal sensatiezucht.”

Kwiecien benadrukt dat Oswiecim een stad is met ruim 50.000 inwoners die een normaal leven willen leiden: “Natuurlijk is Oswiecim getekend door het concentratiekamp Auschwitz. Onze burgers hebben veel respect voor het museum, maar ze weten ook dat de geschiedenis van hun stad geen vijftig jaar oud is, maar achthonderd jaar. Buitenlandse journalisten die hier voor het eerst komen denken altijd dat iedereen in Oswiecim in het museum werkt.”

Omdat het concentratiekamp Auschwitz op de wereldmonumentenlijst van de Unesco staat, is de zone van 500 meter rondom het monument beschermd gebied. Volgens de gemeente kan aan die eis echter onmogelijk worden voldaan. Met de directie van het museum zijn afspraken gemaakt over wat er in het gebied wel en niet mag.

Marszalek heeft zich daar keurig aan gehouden. Hij heeft de grond pas aangekocht nadat de directie en de restauratoren van het museum zijn plannen hadden goedgekeurd. Ook de pers is over alle stadia van de ontwikkeling geïnformeerd, zonder dat dat leidde tot grote verontwaardiging. Het ging pas mis toen Jerzy Bebak van de krant Trybuna half februari twee “hetzerige” artikelen publiceerde onder de koppen 'Supermarkt Auschwitz' en 'Concentratiekamphandel'. “Als ik niet wist waar het over ging en alleen die twee artikelen had gelezen, zou ik ook hebben geprotesteerd”, aldus Marszalek.

Bebak, die volgens Marszalek nog een oude rekening met hem te vereffenen had, stookte het vuurtje nog wat op door Engelse vertalingen via Internet over de hele wereld te verspreiden en te zorgen dat kopieën ervan naar joodse organisaties werden gefaxt. Binnen enkele dagen was de supermarkt wereldnieuws, en werd Marszalek afgeschilderd als een onverantwoordelijke geldwolf die, gesteund door Duits kapitaal, de nagedachtenis aan de slachtoffers in Auschwitz onteerde.

“Het zogenaamde Duitse kapitaal komt van Georg Schreg, directeur van de Raiffeisenbank in het Beierse Auerbach”, zegt Marszalek. “Hij ondersteunt ook liefdadigheidsprojecten op de Filippijnen en in China. Toen hij hoorde van het tehuis voor weeskinderen van Oswiecim, een stad getekend door Duitse gruweldaden, wilde hij me helpen. Daarom werd Schreg mijn partner in de ontwikkeling van dit project.”

Dat het winkelcentrum allesbehalve een pretpark wordt, laat Marszalek het liefst zien op het bouwterrein zelf. We rijden langs het museum. Onderweg stopt Marszalek bij een poort in de omheining. “Kijk maar eens in die grote loods daar”, zegt hij. In een van de voormalige kampgebouwen op het museumterrein blijkt zich een enorme kledinghal te bevinden. Mannen en vrouwen lopen langs meterslange stellingen, moeders met kinderen graaien in bakken met tweedehands kleren. “Dat mag kennelijk wel”, zegt Marszalek.

Het bouwterrein ligt er op dit moment verlaten bij. Maar de vorst is uit de grond, dus voor het eerst sinds tijden kan er weer gewerkt worden. Links vooraan komt, in een nieuw gebouw, een restaurant. Grote openingen in de muur, waar straks ramen zullen komen, bieden uitzicht op de ingang van het museum aan de overkant van de weg. Of ik toch vooral wel de kraampjes voor hot dogs, frisdrank en snoep op het parkeerterrein zie staan. En in de verte het bordje met 'restaurant', dat zich in het museum zelf bevindt.

In de grote hal achter het nieuwe restaurant was tot voor kort de Market gevestigd, volgens Marszalek “een winkel voor bier en Schnaps, maar ook voor meubels en parfum”. Na de verbouwing moet de hal plaats bieden aan een doe-het-zelf zaak. Naast het restaurant, aan de kant van het museum, zal de supermarkt verrijzen, waarvoor een paar oude loodsen deels worden afgebroken. En daarnaast, in een grote hal van golfplaten, komt een schoenwinkel.

“Het enige wat ik hier doe, is een smerige en sombere boel opknappen”, zegt Marszalek. “Het museum heeft me gevraagd dat lelijke betonnen hek te laten staan. En dat doe ik. De gebouwen mogen niet boven een bepaalde hoogte uitkomen. Daar hou ik me aan. Ik ben op alle eisen van het museum ingegaan. Door het nieuwe winkelcentrum verbetert de atmosfeer rondom het museum. Ik kan me niet voorstellen dat iemand daar tegen is.” Hij heeft Szymon Szurmiej, hoofd van een comité dat joodse groeperingen in Polen vertegenwoordigt, uitgenodigd. Hij wil hem laten zien hoe bescheiden zijn project is. Maar Szurmiej heeft niet gereageerd.

“Natuurlijk zal ik niet gaan”, zegt Szurmiej desgevraagd via de telefoon. “Het maakt niet uit hoe het winkelcentrum eruit komt te zien. Op die plek moeten geen winkels zijn. Auschwitz wordt aldus gedegradeerd tot de ingang van een supermarkt. Ze zouden van die 500-meterzone een park moeten maken, of iets dergelijks. Het hoort een gebied te zijn van contemplatie. Het restaurant in het museum zelf zou ook gesloten moeten worden en die kraampjes op de parkeerplaats moeten verdwijnen. Wat zegt u, een kledinghal op het museumterrein? Ze zouden de directeur van het museum moeten ontslaan.

“Naast de muur van het getto van Warschau hadden de Duitsers tijdens de oorlog een carrousel gebouwd, waar altijd vrolijke muziek klonk. Daaraan moet ik dezer dagen vaak denken.”