Het verre ideaal van Koerdistan

DAVID MCDOWALL: A Modern History of the Kurds

472 blz., I.B. Tauris 1996, ƒ 72,05

Na het einde van de Golfoorlog in 1991 verbaasde de Iraaks-Koerdische leider Jalal Talabani de hele wereld door president Saddam Hussein in het openbaar te omhelzen. Had Saddam Hussein niet net bloedig de Koerdische opstand neergeslagen en aan het eind van de jaren tachtig opdracht gegeven tot genocide onder de Koerden? Maar in het Midden-Oosten is het niet ongewoon om elkaar innig te omhelzen bij een ontmoeting. En de gang van de Koerden naar Bagdad was evenmin ongewoon. De Koerden konden na de opstand weinig anders doen. Ze waren door de geallieerden in de steek gelaten, meer dan een miljoen Koerden waren op de vlucht geslagen en Saddam Hussein bood hun autonomie aan.

De Iraakse leider hield zich echter niet aan zijn afspraak. Opnieuw braken er gevechten uit tussen de Koerden en het Iraakse leger totdat Irak zijn troepen uit een groot deel van Koerdistan terugtrok en er een impasse ontstond. In het jaar daarop volgden vrije verkiezingen in wat 'Autonoom Koerdistan' was gaan heten. De twee belangrijkste partijen, de Democratische Partij van Koerdistan (KDP) geleid door Masud Barzani en de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) geleid door Jalal Talabani, wonnen bijna alle stemmen. Gezamenlijk zouden zij gaan regeren. Maar het mocht niet zo zijn. Binnen de kortste keren ging het tussen de beide partijen fout. Autonoom Koerdistan werd in tweeën gedeeld: het noordelijke Koermanji sprekende deel stond onder Barzani en in het zuidelijke Soerani sprekende deel had Talabani de macht.

Op het bestuurlijke vlak ging het in het begin al helemaal fout. Er bestond totaal geen vertrouwen tussen de verschillende partijen. Een PUK-minister moest een KDP-staatssecretaris hebben, een KDP-directeur een PUK-onderdirecteur et cetera. Dat ging door tot op het laagste niveau. Een gewapend conflict leek niet te vermijden en in 1994 was het zover. In gevechten in mei van dat jaar tussen de PUK en de KDP vielen ongeveer duizend doden. Een paar maanden later, in december, braken er opnieuw gevechten uit. Met als resultaat vijfhonderd doden.

De situatie wordt nog gecompliceerder doordat autonoom Koerdistan internationaal niet erkend wordt en daardoor vrijwel geïsoleerd is. En door een economische blokkade neemt de ellende onder de bevolking alleen maar toe. Deze hele episode is tekenend voor de geschiedenis van de Koerden over de laatste honderd jaar en niet alleen voor de Koerden van Irak. De geschiedenis wordt getekend door onderlinge ruzie, uitbuiting, en het niet nakomen van beloftes zowel door Koerden als door derden.

Etnische identiteit

De Britse Midden-Oostendeskundige David McDowall, gespecialiseerd in minderheden, heeft met A Modern History of the Kurds een uitstekend boek geschreven. In het eerste deel behandelt hij de geschiedenis tot 1945, in het tweede deel beschrijft hij de opkomst van het etnisch-nationalisme in Irak, Turkije en Iran sinds de Tweede Wereldoorlog. De Koerden zijn er als volk misschien al wel tweeduizend jaar, maar pas sinds het begin van de twintigste eeuw hebben zij een gevoel van gemeenschap. Op hetzelfde moment ontdekten de Turken en Arabieren hun etnische identiteit. Hiervoor zagen de Koerden zich, net als Turken en Arabieren, vooral als inwoners van het Ottomaanse Rijk en als leden van een religieuze gemeenschap.

Tot het midden van de negentiende eeuw bestond Koerdistan uit semi-onafhankelijke vorstendommen, die, toen ze in elkaar stortten, plaats maakten voor chaos. Het Ottomaanse Rijk verdween na de Tweede Wereldoorlog, waarna de Koerden zelfs even een kans leken te krijgen om een Koerdische staat op te richten, aldus McDowall, maar ze waren te zeer verdeeld.

De Turken en Iraniërs waren tegen een autonoom en onafhankelijk Koerdistan. En ook Groot-Brittannië liet de Koerden al vrij snel in de steek. Hun protectoraat, de nieuwe staat Irak, zou economisch, politiek en militair veel sterker staan met inbegrip van de Ottomaanse provincie Mosul, waarvan het overgrote deel van de bewoners van Koerdische afkomst is. De schrijver toont aan dat dit de crux van het Engelse beleid in deze periode was en niet, zoals zo vaak beweerd wordt, de olie die in de provincie te vinden zou zijn. Die kwestie ging voor de Britten pas later spelen. De nieuwe Turkse staat was intussen begonnen met een programma van 'turkifisering'. Alles dat ook maar enigszins Koerdisch was moest Turks worden. Zij die zich verzetten werden vaak het slachtoffer van geweld. Verder begon de Turkse leider Mustafa Kemal, beter bekend als Atatürk, Koerden naar de rest van Turkije te deporteren in de hoop hen zo te laten opgaan in de Turkse gemeenschap en als volk te laten verdwijnen.

Paranoia

De auteur geeft sterke voorbeelden van de paranoia die in Turkije heerst. In 1979 werd een Koerdische minister veroordeeld tot twee jaar en vier maanden dwangarbeid omdat hij verkondigde Koerd te zijn. De laatste jaren leek er verbetering te komen in de verhouding tussen Ankara en de Koerden, maar door de strijd van het Turkse leger tegen de militante Koerdische Arbeiders Partij (PKK) werd dit snel weer teniet gedaan. De laatste tien jaar zouden er 20.000 Koerden gedood zijn en lagen tweeduizend Koerdische dorpen er verlaten bij. Deze strijd kost Turkije acht miljard dollar per jaar.

Toch zijn na de Tweede Wereldoorlog de Turkse Koerden er vergeleken met de Iraakse Koerden vrij goed van afgekomen. In Irak streden de Koerden onder leiding van de charismatische en autocratische leider Mulla Mustafa Barzani voor autonomie. In 1988 werden de Iraakse Koerden door Ali Hassan al-Majid, bijgenaamd Ali Chemicali, in een aantal operaties, geheten al-Anfal, bijna gedecimeerd. In totaal zouden bijna 200.000 Koerden zijn vermoord, werden er vierduizend dorpen vernield en werden anderhalf miljoen mensen gedeporteerd.

Jammer is het dat McDowall de Koerden in Syrië niet behandelt. Desondanks heeft hij een uitstekende bijdrage geleverd aan de nog steeds beperkte geschiedschrijving over de Koerden. Zijn boek geeft een goed beeld van hun strijd voor vrijheid, maar ook van de onderlinge strijd die nog steeds binnen de Koerdische gemeenschap heerst.