Het slotakkoord van ons koloniaal verleden

P.J. DROOGLEVER en M.J.B SCHOUTEN, samenst. en red.: Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1950. Deel XX. 16 september 1949-31 december 1949

929 blz., Instituut voor Nederlandse Geschiedenis 1996, ƒ 95,-

“Een basaltblok met moeras eromheen”, zo typeerde de marine-commandant A.S. Pinke Nieuw-Guinea in 1949. Zelfs strategisch achtte hij het eiland van geen enkele betekenis. Het Nederlandse bestuur in Indië zag het bovendien niet alleen als een basalt- maar ook als een financieel blok aan het been. Dr. P.J. Koets, directeur van het kabinet van de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon (HVK) riep dan ook begin oktober uit: “Het zou toch werkelijk een godgeklaagd schandaal zijn wanneer men ter wille van Nieuw-Guinea het welslagen van de RTC (Ronde Tafel Conferentie) in de waagschaal stelde.”

Minister van Koloniën H.J. van Maarsseveen was het er niet mee eens. Voor hem vormde Nieuw-Guinea een conditio sine qua non: het eiland diende van de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië te worden uitgezonderd. Het zou fungeren als het onmisbare wisselgeld, waarmee de parlementaire instemming met de resultaten van de Ronde Tafel Conferentie gekocht zou kunnen worden. We kennen de uitslag. Nieuw-Guinea werd inderdaad van de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië uitgezonderd. Binnen een jaar echter zouden de Nederlandse en Indonesische regering een definitieve oplossing van dit vraagstuk dienen te bereiken. Het zou twaalf jaar, internationale pressie, alsmede gewekte en vervolgens pijnlijk gefrustreerde verwachtingen van de Papoea-elite kosten, voordat het in 1962 eindelijk zo ver was.

Dit verhelderende inzicht in de uiteenlopende Nederlandse opinies ten aanzien van Nieuw-Guinea is een van de vele zaken die het twintigste deel van de bronnenpublikatie over het regeringsbeleid in de periode 1945-1950 tot spannende lectuur maken. Met dit deel is een regeringsopdracht afgerond, die in 1969 werd verleend aan prof.dr. S.L. van der Wal. Al is die opdracht veel minder bekend, zij valt te vergelijken met de eerdere opdracht aan dr. L. de Jong tot geschiedschrijving over Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Bronnenpublikaties zijn echter geen bestsellers. Zij gaan in honderdtallen - nooit per tienduizenden, laat staan in paperback - over de toonbank.

De belangstelling voor dit deel van de Nederlandse geschiedenis was lange tijd minimaal. In de jaren vijftig en zestig bleef het koloniaal verleden buiten beeld. De regering weigerde de belangrijkste bron daarover, de overheidsarchieven, open te stellen voor historisch onderzoek. Uit angst voor interne politieke strubbelingen en voor complicaties in de toch al moeilijke verhouding met Indonesië week geen van de kabinetten in die gezagsgetrouwe decennia voor publieke pressie.

Tussen 1961 en 1966 verzamelde een voormalig Indisch bestuursambtenaar, dr. M. Boon, slechts archiefmateriaal en mondelinge informatie van betrokkenen voor latere geschiedschrijving. Het gebeurde onder strikte geheimhouding. Alleen op die voorwaarde zouden hoofdrolspelers in het dekolonisatieproces willen reageren. En zelfs zo deden zij dit maar mondjesmaat. Boon kon slechts de helft van zijn doelgroep van vijftig personen interviewen.

Pressie

Pas in de tweede helft van de jaren zestig, toen de verhouding met Indonesië diepgaand was veranderd en het cultureel-politieke klimaat in Nederland drastisch gewijzigd, besloot het kabinet-De Jong tot een bronnenpublikatie. Tegen de gecombineerde pressie van parlement en pers - zoals artikelen van dr. Ernst van Raalte in deze krant - was het niet langer opgewassen. Het optreden van dr. J.E. Hueting op de televisie in januari 1969, waarin hij sprak over oorlogsmisdaden van Nederlandse militairen tussen 1946 en 1950, leidde tot snelle openbaring van dat, in oktober 1968 genomen besluit. Na de dood van Van der Wal in 1978 werd het werk voortgezet door de huidige bewerkers Drooglever en mevrouw Schouten.

Het twintigste deel vormt een fraai slotakkoord van een indrukwekkende serie. Het verhaal over de laatste maanden Nederlands-Indië, van half september tot eind december 1949, vindt in de gebeurtenissen een natuurlijke spanningsboog met tot slot een 'happy end'. De nervositeit over het slagen of mislukken van de Ronde Tafel Conferentie beheerste de stemming volledig. Eerst betrof die de onderhandelingen zelf, vervolgens de parlementaire reactie op de resultaten. Pas op 20 december 1949 werden die in de Eerste Kamer aanvaard.

Voor alle direct betrokkenen stond één ding vast: de RTC mocht niet mislukken en de resultaten moesten worden aanvaard. Zo niet, dan vreesden de Nederlanders in de archipel, ambtenaren en ondernemers, chaos en een tweede bersjap, die nog bloediger zou zijn dan die van het najaar van 1945. Uit de stukken blijkt opnieuw hoe schadelijk de langdurige onzekerheid in dit proces was. Het verleent dit deel van de Officiële bescheiden een grote actualiteit. De factor tijd speelde immers niet alleen een rol in die dekolonisatie, maar is relevant voor elke overgang van oorlog naar vrede, of die zich nu in Israel of in het voormalige Joegoslavië afspeelt.

Zolang de uitkomsten van de RTC nog niet zeker waren, bepaalde wantrouwen de verhoudingen tussen de verschillende groeperingen (Nederlanders, federalisten en Republikeinen) vooral in Indië zelf. Zicht op het Indisch toneel vormt een van de meest interessante aspecten van deze publikatie, dat overigens ook inzicht biedt in de moeizame RTC-besprekingen zelf. Het Indisch toneel werd beheerst door het vraagstuk van de militaire veiligheid. De staakt-het-vuren-overeenkomst die in augustus was ingegaan, had de legeronderdelen van Nederland en de Republiek als in een bonte lappendeken gespreid. De Republikeinse guerrilla-troepen kwamen nu uit hun schuilhoeken te voorschijn en bleken talrijker dan gedacht. Mede omdat exacte posities in augustus niet waren vastgesteld, was er in Nederlandse ogen onmiskenbaar sprake van 'koude infiltratie', van een Republikeins profiteren van de wapenstilstand.

Repatriëring

Het wantrouwen was wederzijds. In de maand oktober heerste er in Djokja nog grote angst voor een derde Politionele Actie, zoals uit het bronnenmateriaal blijkt. Al was die mogelijkheid door Indische militairen en 'Indische regering' expliciet verworpen, de militaire spanning bleef. Beide partijen zagen zich immers genoodzaakt tot een twee-sporenbeleid. De Indische regering had zich voor te bereiden op repatriëring van de troepen en reorganisatie van het KNIL, wanneer de RTC zou slagen, op militaire repercussies wanneer die zou mislukken. De Republikeinse regering had eveneens met twee opties rekening gehouden. Een succesvolle RTC zou haar de verantwoordelijkheid geven voor de handhaving van rust en orde. Daarvoor moest een gezagsvacuüm voorkomen worden. Anderzijds moest ook zij rekening houden met een mislukking van de RTC.

Zij had bovendien te maken met extremistische militaire groeperingen die elk diplomatiek overleg, dus ook de RTC, wantrouwden. Anders dan de Indische regering, die zoals een Indisch topambtenaar fijntjes opmerkte 'een dictatuur' vormde omdat zij alleen rekenschap had af te leggen aan Den Haag, diende de Republikeinse regering rekening te houden met 'de democratie', dat wil zeggen met de verkoopbaarheid van haar beleid. De groeiende zichtbaarheid van Indonesische troepen onder communistische leiders plaatste haar dan ook voor een gezagsprobleem. Die zichtbaarheid maakte het de Nederlandse regering anderzijds mogelijk een beroep te doen op de alertheid van de VS, een mogelijkheid die zij direct aangreep. In de Koude Oorlog vertoonde dit soort Nederlandse, Indonesische en internationale problemen een innige samenhang, waar de Nederlandse regering graag van profiteerde. De Amerikaanse regering reageerde echter afhoudend.

De oplossing van het militaire vraagstuk lag in een concentratie van Nederlandse troepen op de hoofdplaatsen en overdracht van de militair-politionele bevoegdheden aan het Republikeinse leger, de TNI. Dat plan was al in voorbereiding toen de Republikeinse minister van defensie het half oktober 1949 nog aanscherpte; dit tot grote woede van de HVK, dr. H.J.A. Lovink. Het plan werd eind oktober in gang gezet. Voor de Nederlandse militairen had deze troepenconcentratie het voordeel dat zij in geval van nood gemakkelijker inzetbaar zouden zijn. Uit de stukken blijkt wel dat de RTC geen dag langer had moeten duren. Lovink sprak al over de noodzaak van het bijeenbrengen van Nederlandse vrouwen en kinderen ten behoeve van hun veiligheid.

De bronnenrepublikatie richt zich op de officiële Nederlandse bescheiden. Documenten uit buitenlandse archieven ontbreken, evenals stukken waarin de parlementaire verhoudingen in Nederland tot uiting komen. Bewerkers Drooglever en mevrouw Schouten concentreerden zich ook in dit deel op dat wat het regeringsbeleid kan verduidelijken. De ruim 400 nummers bestaan vooral uit notulen van de ministerraad, correspondentie tussen minister en de HVK te Batavia, uit Nederlandse berichten uit Londen of New York en enkele particuliere brieven. In de voortreffelijke annotatie wordt naar voorgeschiedenis en vervolg verwezen, zodat de verhaallijn niet afgebroken wordt. Indonesische standpunten en problemen laten zich tussen de regels door lezen, met name in particuliere briefwisseling. Dan krijgt de lezer het contrapunt te horen. Dan wordt ook een licht overspannen Lovink zichtbaar, die de minister van defensie, de sultan van Djokja, ten diepste wantrouwde en die maar nauwelijks afstand kon doen van de koloniale verworvenheden en symbolen, zoals het paleis te Buitenzorg.

Stukken over oorlogsmisdaden van Nederlandse militairen zijn in de Officiële bescheiden alleen opgenomen wanneer deze niet in de Excessennota van 1969 voorkwamen. Het beperkte materiaal over dit onderwerp in de serie pleit voor de kwaliteit van de Excessennota: ondanks het hoge produktietempo indertijd blijkt zij een vrij volledig overzicht te bieden van wat er in de overheidsarchieven te vinden was. In dit deel komt slechts 'de bloedbruiloft' te Tjilatjap aan de orde. Een huwelijksfeest werd aangezien voor een militaire samenzwering en kostte 37 Indonesiërs het leven. De nota's geven veeleer een beeld van een afschuwelijke samenloop van onervarenheid, miscommunicatie en stommiteiten, dan van een geplande oorlogsmisdaad. Ten onrechte werd de hoofdverantwoordelijke evenwel vrijgesproken, zo kan men met enkele Indische topambtenaren concluderen.

Het jaar 1949 werd uiteindelijk met een 'eind goed, al goed' afgerond. De overname van de ordehandhaving door TNI was in het algemeen zonder incidenten verlopen. Opgelucht kon Lovink op 23 december in Djokja afscheid nemen van president Soekarno. De soevereiniteitsoverdracht op 27 december in Amsterdam werd op verzoek van koningin Juliana sober gehouden. Het gelijktijdige ritueel in Batavia verliep probleemloos; het trok ook nauwelijks publieke belangstelling. De entree van Soekarno in Djakarta daarentegen liep uit op een vrolijk volksfeest, waarbij cordons werden verbroken en een deel van de mensenmassa het paleis binnendrong. Kort daarop heette Soekarno de nieuwe vertegenwoordiger van de Nederandse regering, de Hoge Commissaris dr. H.M. Hirschfeld buitengewoon hartelijk welkom. Die riep zijn minister op om in Nederland te werken aan “een even gunstige atmosfeer (...) als thans hier bestaat”.

Westerling

Het deel sluit af met de tekst van de irenische rede van koningin Juliana, uitgesproken op 27 december 1949. Als in een goed feuilleton liggen in de laatste stukken van de bronnenpublikatie echter ook al de verwijzingen opgeslagen naar het minder idyllische vervolg: gegevens over de staatkundige organisatie van Nieuw-Guinea en verslagen over de militaire organisatie van Raymond Westerling, die in januari 1950 een coup zou plegen in Bandoeng. Wie daar meer over wil weten kan terecht bij het boek van Hans Meijer, Den Haag-Djakarta, de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1950-1962 uit 1994 of dient te wachten op het vervolg van deze bronnenpublikatie. Dat staat op stapel. Voor dit moment bieden de Officiële bescheiden 15.000 bladzijden leesbaar, toegankelijk en informatief materiaal voor ieder die zich met de geschiedenis van het Nederlandse aandeel in de de kolonisatie van Indonesië wil of moet bezighouden.

De twintig delen samen kosten tot 1 mei ƒ 995.- Daarna is de prijs ƒ 1650.- De prijs van losse delen is gemiddeld ƒ 95.-