Het propellerpetje

In Nederland, misschien zelfs in Europa, zijn ze vrijwel onbekend. Niemand in mijn omgeving kan zich herinneren, als kind er zelf een te hebben gedragen of mensen te kennen die dat wel hebben gedaan. Toch heeft bijna iedereen er weleens van gehoord. Ze herinneren zich vaag iets uit een strip. Suske en Wiske? Mickey Mouse? Of heeft het iets met voetbal te maken? Gebrek aan persoonlijke ervaring maakt dat ze het niet belangrijk genoeg hebben gevonden om het te onthouden. Ik bedoel: het kinderpetje met propeller, de onderbouw van een gewoon petje waaruit precies in het middelpunt van het bolletje een as steekt. Daaraan zit een propeller die kan draaien.

In Amerika zie je ze veel, op 4 juli, Onafhankelijkheidsdag. Hier ben ik er precies drie dagen geleden voor het eerst een tegengekomen. Het werd gedragen door een jongetje van een jaar of drie. Hij liep los naast zijn moeder. Hij en ik hadden in tegengestelde richting dezelfde baan zodat we in de bekende situatie van misverstanden terechtkwamen. Hij week naar rechts uit, ik naar links, daarna hij naar links, ik naar rechts. Zo schoten we niet op, maar wel gaf het me meer tijd om zijn petje te bewonderen. Dat zag hij, lachte een beetje verlegen, zonder overigens zijn zelfvertrouwen te verliezen. Hij dacht: die meneer kijkt naar mijn petje. Hij vindt het een mooi petje, hij bewondert het.

Weten kinderen van drie al wat 'bewonderen' is, in de betekenis die wij eraan hechten, zoals wij bewondering laten blijken of ondergaan? Je kunt op die leeftijd intens gelukkig zijn met een bezit, een mooi gevorkt, door het zeewater uitgebeten en door het zand gladgeslepen takje, of een wieltje dat voor alles te gebruiken is, of een dikke koperen munt uit een vreemd land. Ik noem maar het een en ander. Voorwerpen die je dag en nacht bij je wilt hebben en waarvan het verlies je peilloos ongelukkig maakt. Om het bezit van zo'n voorwerp word je niet 'bewonderd' op de volwassen manier, maar je weet wel dat je iets zeer bijzonders hebt, het attribuut van je geheime almacht. De mensen kunnen dat aan je zien.

Op deze manier droeg degene die ik tegenkwam zijn propellerpetje. Na nog één vergeefse poging slaagden we erin, elkaar te passeren en gingen ons weegs. Ik begon me af te vragen, wie dat petje heeft uitgevonden - want een uitvinding mag je het wel noemen. Sinds de gebroeders Wright misschien al zijn er kleine jongens die behoefte hebben aan een kledingstuk met een propeller. Bij even nadenken kom je tot de slotsom dat alleen het hoofddeksel geschikt is.

Een dichterlijke speelgoedfabrikant ontwerpt het petje. Dan komt het ogenblik waarop een vriendje uit de buurt triomfantelijk met zoiets op straat verschijnt. Je begint er thuis om te zeuren. Eindelijk krijg je er ook een, laten we hopen van het goede model (want er zijn intussen ook verkeerde petjes in de handel), je zet het voor het eerst op, en nu is de veel misbruikte vraag eindelijk weer eens van toepassing: Wat gaat er op dit ogenblik door je heen? Als het goed is: het gevoel van trots en almacht - bij benadering met deze woorden aangeduid, omdat voor volwassenen het geven van een nauwkeurige beschrijving niet meer is weggelegd. Jij en je petje worden onafscheidelijk, tot onmerkbaar de erosie inzet. Het verdwijnt naar de laden van de vergetelheid. Als het alle verhuizingen en daarmee gepaard gaande weggooiwoede overleeft, zal deze jongen van mijn ontmoeting drie dagen geleden, over vijftig jaar zijn petje terugvinden en denken aan de 26ste maart 1996. (Ik ontleen de voorspelling aan een verhaal van Nabokov dat ik bij gelegenheid zal navertellen).

Voor grote mensen bestaan tientallen soorten petjes waarmee ze hun geestesgesteldheid kracht willen bijzetten. Er is dan weer een ondersoort van petjes voor voetbalsupporters. Daartoe hoort de pet met handjes die boven het hoofd van de drager gaan klappen als hij aan een touwtje trekt; de pet met slurf die uitrolt als hij ergens in blaast; en ook de pet met propeller. Die allemaal en nog talrijke varianten zijn dan de vruchten van het carnavalsvernuft. Er zijn ook serieuze hoofddeksels - de meeste - die de persoonlijkheid van de drager verrijken. De gleufhoed in allerlei tijdvakken: in de jaren vijftig door Humphrey Bogart ietsje scheef opgezet, in de periode van de vroege Alain Delon diep in de ogen getrokken. Het baseballpetje met de klep in de nek: hoofddeksel van het internationale jeugdverzet. De gewone Britse geruite pet: oudere intellectuelen van nette komaf die nog behoorlijk bij de tijd zijn. De Sherlock Holmes pet met klep voor en achter: tweede jeugd van mensen die au fond wat alternatief denken. De bontmuts als het er niet koud genoeg voor is: behoefte aan vervaarlijkheid. Al die hoofddeksels zijn voor grote mensen; allemaal prothesen van het ego.

Laten we dit niet verwarren met het propellerpetje van de kleine jongen, hierboven genoemd. Om het eens filosofisch uit te drukken: als de hoofddeksels der volwassenen - vooral de mannen - prothesen van het ego zijn, dat wil zeggen: voorzien in een tekort, dan is het propellerpetje een toevallig maar welkom magisch gereedschap van het zijn. Het eerste is opzettelijk, het tweede 'van nature'; (geen filosofie zonder cursiveringen en aanhalingstekens), het ernstig spelen.

Hoe ver het eerste van het tweede verwijderd is zou je gewaar worden als je - diep in het geheim - zelf nog eens een propellerpetje paste.