Gordon Lunan; Spion uit idealisme

GORDON LUNAN: The Making of a Spy. A Political Odyssey

295 blz., Robert Davies Publishing 1995, ƒ 35,50

“Opa, wat deed jij in de Koude Oorlog?” Met die vraag confronteerde een kleindochter de vierenzeventigjarige Gordon Lunan in 1989, nadat zij oude kranten over hem had opgeslagen. Lunan is dan ook niet zo maar een grootvader. Hij werd in 1947 in hoger beroep veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens zijn aandeel in de Sovjet-spionagering die in de eerste week van september 1945 werd blootgelegd, toen de Russische ambassademedewerker Igor Goezenko in Ottawa overliep naar de Canadese autoriteiten.

Als codeklerk van de militaire inlichtingendienst GRU was Goezenko op de hoogte van de spionage-activiteiten van ongeveer twintig Canadezen voor de GRU. In de VS leidden de onthullingen van Goezenko tot de ontdekking van Sovjetspionage bij het Manhattan-project, waar de atoombom was ontwikkeld. Ook de Britse fysicus Alan Nunn May, die tijdens de oorlog drie jaar atoomonderzoek had verricht in Montreal, liep tegen de lamp.

Na het overlopen van Goezenko besloten de Canadese premier Mackenzie King, zijn Britse collega Attlee en president Truman van de Verenigde Staten maximale ruchtbaarheid te geven aan de inlichtingen die door Goezenko waren verstrekt. Het bekend worden van het feit dat de Sovjet-Unie tijdens de Tweede Wereldoorlog haar bondgenoten had bespioneerd, is daarom wel gezien als het begin van de Koude Oorlog. Dat is iets te veel eer voor de Goezenko-affaire. Wel zijn de onthullingen van Goezenko bepalend geweest voor het klimaat waarbinnen de westerse veiligheidsdiensten nadien hun werk konden verrichten.

Buitenstaander

Voor Lunan was de vraag van zijn kleindochter aanleiding zich opnieuw te verdiepen in de vraag die hem in 1946 ook al was voorgelegd: Hoe was hij tot zijn medewerking aan de spionagering gekomen? Het resultaat is een boek waarin Lunan op zijn leven, en vooral zijn jaren in de gevangenis, terugblikt.

Lunan bracht een deel van zijn jeugd door op Engelse kostscholen. Deze internaten waren een bevrijding uit het bekrompen Schotse milieu waarin hij geboren was. Aan dat milieu schrijft hij zijn levenslange positie als buitenstaander toe. Na zijn schooltijd werkte Lunan enkele jaren bij Londense reclamebureaus, totdat hij in 1938 besloot nog wat van de wereld te zien voordat de door hem bevroede wereldbrand zou uitbreken. Al snel strandde hij in Montreal, waar hij opnieuw werk vond bij een reclamebureau.

Buiten werktijd raakte hij betrokken bij groeperingen die de opvang organiseerden van de linkse Canadezen die hadden deelgenomen aan de Spaanse Burgeroorlog. Als reclameman speelde Lunan binnen deze voornamelijk communistische kringen een gewaardeerde rol bij propagandacampagnes. In die jaren was in Quebec de Padlock Law van kracht, die niet alleen geheime observatie van subversief geachte activiteiten mogelijk maakte, maar ook de sluiting van panden waarin die plaatsvonden. De woning die Lunan met enkele van zijn kameraden deelde, trok de aandacht van de Red Squads, die onder de Padlock-wet opereerden.

Lunan was in 1940 getrouwd met een joodse vrouw en het virulente antisemitisme in Quebec dreef hem nog meer in de richting van de communistische partij, die in Montreal voornamelijk gevoed werd uit niet-religieuze joodse kringen. In juni 1940 verklaarde de Canadese regering de CPC illegaal. Lunan en zijn vrouw Phyllis stelden in die periode regelmatig hun huis beschikbaar voor (de illegale bijeenkomsten van) de leidende communistische partijfunctionarissen van Canada.

In januari 1943 nam hij dienst in het Canadese leger als verbindingsofficier. Lunan werd door zijn superieuren zo gewaardeerd om zijn leiderscapaciteiten en zijn meer dan gemiddelde kennis van politieke zaken dat hij in november 1944 ter beschikking werd gesteld van de Wartime Information Board, die voor de Canadese militairen overzee het tijdschrift Canadian Affairs publiceerde. Het blad moest de Canadese soldaten op de hoogte houden van ontwikkelingen aan het thuisfront en Lunan kwam voor dit werk regelmatig in aanraking met prominente Canadese politici en ambtenaren.

Op een avond in maart 1945 kreeg Lunan bezoek van Fred Rose, parlementslid voor de Labour Progressive Party, die toen de legale, parlementaire arm van de Canadese communisten was. Rose, die reeds jarenlang inlichtingenwerk voor de NKVD en de GRU had verricht, arrangeerde een ontmoeting tussen Lunan en V.M. Rogov, de assistent luchtmachtattaché van de Sovjetambassade in Ottawa. Rogov maakte deel uit van het door de Russische militaire attaché Nikolai Zabotin geleide GRU-netwerk in Canada.

Lunan liet zich overhalen als tussenpersoon te fungeren bij het doorgeven van wetenschappelijke inlichtingen met een militair nut. Onder de codenaam 'Back' moest hij contact opnemen met drie Canadese geleerden, Israel Halperin, Edward Mazerall en Philip Durnford Smith. Geen van deze drie bleek op zijn verzoek te zijn voorbereid. Daardoor lukte het Lunan nauwelijks belangrijke informatie los te krijgen. Uiteindelijk bleef van de drie alleen Smith over, die voornamelijk gegevens verstrekte over nieuwe ontwikkelingen op het gebied van radar.

Samenzwering

Na het overlopen van Goezenko werden verscheidene Canadese informanten van Moskou van hun bed gelicht, onder wie Lunan, die voor een zogenaamde regeringsopdracht naar Canada was teruggelokt uit Londen, waar hij tijdelijk verbleef. Lunan levert in zijn boek scherpe kritiek op de Canadese rechtsbedeling. De verdachten moesten het lange tijd zonder juridische bijstand stellen. Zij werden vervolgd op grond van de Official Secrets Act, die het verstrekken van geheime gegevens aan de vijand verbood. Omdat de Sovjet-Unie ten tijde van de spionage nog een bondgenoot van Groot-Brittannië en Canada was, werd de formule opgerekt tot 'een potentiële vijand' om tot veroordelingen te kunnen komen. Toen bleek dat bepaalde informatie die aan de Russen was verstrekt, niet of nauwelijks geheim genoemd kon worden, werd de verdachten ook samenzwering ten laste gelegd.

Naast een normale rechtsgang werd voor de gelegenheid een twee leden tellende Royal Commission met een onduidelijke juridische status in het leven geroepen, die de verdachten en getuigen achter gesloten deuren hoorde. Zo meegaand als Lunan in zijn eerste verhoor en tegenover deze Royal Commission was geweest, zo weigerachtig was hij om te getuigen in processen tegen anderen uit het spionagenet. Het leverde hem een jaar extra gevangenisstraf op wegens minachting van het hof.

Rogov en enkele andere medewerkers van de Sovjet-ambassade om Ottawa werden in februari 1946 uitgewezen. Behalve Lunan werden nog tien verdachten tot gevangenisstraffen variërend van twee tot tien jaar veroordeeld, onder wie Rose, Mazerall en Smith, die respectievelijk zes, vijf en vier jaar kregen. Na het uitzitten van zijn gevangenisstraf wachtte Lunan een reeks van teleurstellingen. Niet alleen raakte hij zijn vrouw kwijt, ook de communistische partij ging Lunan steeds meer tegenstaan. Tot zijn bittere teleurstelling had de partij alles gedaan om niet in verband gebracht te kunnen worden met de aangeklaagden in de Goezenko-zaak. Lunan vond evenwel een nieuwe vriendin, die hem weer in de ban van de partij bracht.

Het begon de voormalige spion echter te storen dat sommige partijbonzen nog meer dan hij bourgeois-gedrag kritiseerden. De beschuldiging van een complot van joodse dokters in Moskou, die van plan zouden zijn geweest Stalin te vermoorden, zette hem aan het denken. De ruzies die onder de communistische leiders van Canada volgden over de te volgen koers na de dood van Stalin vervreemdden Lunan en zijn vriendin verder van de communistische partij. De rede van Chroesjtsjov in 1956 over de wandaden van het Stalinistische bewind, betekenden, zoals hij schrijft, 'natuurlijk' de nekslag voor zijn relatie met de partij.

Verbaasd

Het feitelijke relaas van Lunan voegt, voor zover het zijn spionage betreft, weinig toe aan de gepubliceerde bevindingen van de Royal Commission. Als belangrijkste reden voor zijn sympathie voor de Sovjet-Unie noemt Lunan het grote aandeel van dit land, ten koste van miljoenen slachtoffers, in de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog. Zijn motief om geheimen van het Westen te verraden was volgens hem vooral zijn afkeer geweest van de appeasers en Franco-sympathisanten, die in de tweede helft van de jaren dertig rijkelijk vertegenwoordigd waren geweest onder de Britse elite. Bovenal werd Lunan echter tot het communisme aangetrokken door de kritiek op de bourgeois levensstijl, waarvan hij zich in zijn jeugd zozeer de dupe had gevoeld. Het is jammer dat Lunan ook achteraf minder aandacht heeft voor de onoprechtheid van de Sovjet-Unie, bijvoorbeeld ten aanzien van het Molotov-Ribbentrop-pact, dat de antifascistische strijd van de communisten in een merkwaardig licht plaatste.

Lunan doet het in zijn terugblik voorkomen alsof zijn medewerking aan de inlichtingenverwerving voor de Sovjet-Unie moest worden gezien als een onderdeel van de geallieerde oorlogvoering en hij is er verbaasd over dat de Canadese overheid daar kennelijk anders over dacht. Uit de letterlijke verslagen van zijn ondervraging door de Royal Commission blijkt echter dat hij zich wel degelijk bewust was van het ongeoorloofde karakter van zijn handelingen.

In zijn memoires wekt Lunan de indruk alsof zijn contact met Rogov zou leiden tot een wederzijdse informatie-uitwisseling, die paste in het kader van zijn werkzaamheden voor Canadian Affairs en dat het hem verraste dat de Russen zich niet aan hun deel van de afspraak hielden. Uit het boek komt duidelijk tot uiting dat de Canadese autoriteiten in de Sovjet-Unie tijdens de Tweede Wereldoorlog bepaald geen bondgenoot pur sang zagen. Lunan schrijft dat het hem niet had hoeven verbazen dat de Sovjet-Unie dadelijk na de oorlog door de Canadese regering weer als vijand zou worden beschouwd. Toen Lunan in september 1945 op de hoogte kwam van het overlopen van Goezenko, zag hij dan ook dadelijk een langdurig verblijf achter tralies voor zich opdoemen. Over zijn jaren in de gevangenis kan Lunan met smaak vertellen, maar zijn kleindochter had een eerlijker antwoord verdiend.