Frankrijk, Nederland en de drugs: Dovendialoog tussen onzekere naties

Het conflict over het Nederlandse drugsbeleid heeft de Frans-Nederlandse betrekkingen op een dieptepunt gebracht. Een boycot van tulpen en kaas is in aantocht. De export van clichés en vooroordelen wordt intussen naar hartelust voortgezet. Hoe denken Fransen over ons? 'Nederland heeft in Frankrijk geen slecht imago, het heeft helemaal geen imago.'

Wijn is een ritueel, een hele cultuur. De consumptie van drugs is kaal, armoedig

De Franse regering gijzelt Nederland om de nationale eenheid opnieuw te smeden Citaat 1: “Het is een leuk land, jammer dat er Fransen wonen”. Citaat 2: “Europa kan zich de luxe van een narco-staat op zijn grondgebied niet veroorloven”. Twee clichés, en een wereld van verschil. De één gooit een heel volk weg, grapje, moet kunnen. De ander geeft een buurland de schuld van een onoplosbaar probleem.

De eerste uitspraak is een camping-wijsheid van minister Jorritsma (verkeer en waterstaat) in het ANWB-blad Reizen. Het tweede citaat is van de Franse senator Masson die wil dat Frankrijk samen met Duitsland en andere buurlanden Nederland klemrijdt en dwingt af te kicken.

Premier Kok noemt president Chirac 'geobsedeerd' door het drugsprobleem. De Franse president laat geen kans voorbijgaan Nederland de 'drugs-supermarkt van Europa' te noemen. Nederlanders vragen steeds vaker of het Franse staatshoofd persoonlijke motieven heeft om zo achter 'ons' drugsbeleid aan te zitten. Alsof dat de kwaliteit van zijn argumenten zou beïnvloeden. Het Frans-Nederlandse misverstand heeft venijnige vormen aangenomen.

“Het is een dialoog voor doven. Er hoeft niet veel te gebeuren of beide landen vervallen in negatieve reflexen ten opzichte van elkaar. Als Nederlanders over gezondheidszorg praten, antwoorden de Fransen met hard drugs, en als Nederland het over hard drugs wil hebben, dan begint Frankrijk over soft drugs. Er is sprake van een dubbele hypocrisie in een overigens ongelijke verhouding. Voor Nederland is Frankrijk de erfvijand. Voor Frankrijk was Nederland dat misschien in de zeventiende eeuw, maar nu al lang niet meer. Nederland heeft in Frankrijk geen slecht imago, het heeft helemaal geen imago.”

Dat zegt Christophe de Voogd, Franse Nederland-specialist tegen wil en dank. Hij zou wel eens over de Zweeds-Franse betrekkingen geraadpleegd willen worden. Maar dat zit er niet in. Met zijn Nederlandse naam en voorouders, zijn jaren als dynamisch directeur van het Institut Français in Den Haag achter de rug, en vooral zijn kort geleden vertaalde Histoire des Pays-Bas, is de medewerker van de befaamde Parijse Fondation des Sciences Politiques een onmisbare tolk tussen de Republiek en het Koninkrijk.

De Voogd haalt tegenover Nederlanders graag Nederlandse vooroordelen onderuit. Er zijn in Frankrijk heus verschillende meningen over drugs, ook al rust er voor de meeste Fransen nog een zwaar taboe op. “Waarom heeft Nederland vorig jaar niet geprobeerd Frankrijk tot een debat te verleiden naar aanleiding van de rapporten van de Commissie Ethiek en de Staatscommissie-Henrion, die allebei de Franse politiek van het op één lijn stellen van hard en soft drugs onhoudbaar noemden. Chirac is Lodewijk XIV niet. Er is hier een waarachtig democratisch debat, al is het minder op het parlement geconcentreerd dan in Nederland.”

In de Assemblée Nationale zit de afgevaardigde uit de Yvelines allerminst op een debat te wachten. Kamerlid Jacques Myard (48) is burgemeester van de Parijse voorstad Maisons-Laffitte, diplomaat, jurist en auteur van een vorig jaar verschenen rapport over het omstreden Verdrag van Schengen. Hij wil niets weten van een Frans-Nederlands misverstand. Myard kent de achtergronden van het Nederlandse drugsbeleid niet, maar trekt de juistheid van de gepresenteerde cijfers bij voorbaat in twijfel. Hij is het volkomen eens met senator Masson: Nederland is “een echte narco-staat”. Hij heeft premier Juppé vorige week geschreven om via hem de Fransen op te roepen tot een boycot van de Nederlandse import, te beginnen met tulpen en kaas.

“Ik heb niets tegen Nederlanders, maar tegen het beleid van uw regering. Cannabis is één van de belangrijkste landbouwprodukten van uw land, nog voor tomaten. De hoeveelheid in Noordoost-Frankrijk gepakte cannabis is in 1995 met 434 procent gestegen. U heeft twee soorten verdragen gesloten die verplichten tot strijd tegen alle soorten drugs, via de Verenigde Naties en Schengen, en u schendt ze.

“Kom me niet aan met verhalen over soft drugs. Die bestaan niet. Wie hasj rookt wordt verslaafd, ziek, een tweederangs burger. De Drugsnota van uw regering, heel ruimhartig vertaald in het Frans, geeft het allemaal toe: Nederland neemt een onevenredig grote plaats in als het om drugs in Europa gaat. U kunt niet blijven zeggen: 'wij willen vrij verkeer in Europa' en tegelijk een zo lakse politiek tegen drugs blijven voeren. Als Nederland op de maan lag en de handel in verdovende middelen wilde vrijlaten, zou ik zeggen: laat maar gaan. Maar u ligt op twee uur rijden van Lille. Nederland bevoorraadt Europa. U kunt niet altijd tegen iedereen gelijk hebben. Als u consequent bent vraagt u de VN en de zes Schengen-partners de verdragen zo te wijzigen dat 'soft drugs' worden uitgezonderd. Zo niet, dan moet u uw verplichtingen nakomen.”

Dounia Baccouri werd twintig jaar geleden geboren in Vitry-sur-Seine. Zij is Frans, al is haar vader van Tunesische en haar moeder van Algerijnse komaf. Dounia spreekt perfect Nederlands, met een licht Noordwijks accent.

Met haar tengere gestalte lijkt zij het hele conflict tussen Nederland en Frankrijk te overbruggen. Sinds zij zeven maanden oud was is Dounia ieder jaar via de Nederlandse liefdadigheidsorganisatie De Vreugdezaaiers naar hetzelfde pleeggezin in Noordwijk gegaan. Zij praat over 'mijn vader' en 'mijn moeder' en vindt de Nederlandse mayonaise en kwarktaart lekkerder dan de Franse equivalenten.

Dounia heeft niets met drugs, ook al zeggen Fransen haar als zij weer naar het noorden vertrekt: 'je gaat zeker drugs halen'. Voor haar is Nederland: openheid, makkelijker met je moeder kunnen praten, maar ook zuinigheid. “In Frankrijk vier je eindeloos feest als je jarig bent. In Nederland houden ze om twee uur op. Wij geven hier zo een cadeau van honderd gulden als we iemand lief vinden. In Nederland vinden ze 25 gulden meer dan genoeg.”

Zij is tweedejaars studente Nederlands aan de Sorbonne en hoopt tolk te worden. “Ik vindt het heerlijk in Nederland, maar ik zou er niet het hele jaar willen wonen. Het leven is er heel anders. Ik heb één vraag over Nederland: waarom wordt er zo veel gediscrimineerd?”

Daniel Cunin (32) studeerde rechten en criminologie, maar werkt als vertaler; hij doceert literair vertalen aan de universiteit Paris IV. Hij woont sinds vier jaar in Amsterdam en raakt aardig thuis in de misverstanden en wederzijdse drogbeelden tussen Frankrijk en Nederland. Herinnert zich als schoolvoorbeeld een bespreking in het Franse Magazine Littéraire van 1985 van Arthur Van Schendels boek De Waterman.

De schrijver van de recensie, de litterator Alain Bosquet, schetst daarin het beeld van een land dat sinds Vermeer, Rembrandt, Hals en Ruysdael niets meer heeft voortgebracht, afgezien van Van Gogh en Mondriaan. “Spinoza voelde zich nooit helemaal thuis in dit land van riviermondingen; Erasmus had overal kunnen wonen en Bosch was meer Vlaams dan Hollands. Wat een trieste balans.”

Geen componist, geen romancier, geen toneelschrijver, geen dichter van enige betekenis, constateerde Bosquet. “Welvaart, handel, de grootste haven van het continent, de Reformatie - te rigide én te vrijblijvend - , zijn zij verantwoordelijk voor een benepen mentaliteit, burgerlijk in de verkeerde zin van het woord en meer uit op leukigheid dan diepgang? Waarom is men niet even streng voor naties als voor mensen? Holland heeft geen kern: het land moet het hebben van zijn uiterlijke charmes en ontbeert iedere dramatiek. Ik kom al veertig jaar koppig terug in deze hoek van Europa, zonder er de minste aanleiding tot enthousiasme te vinden.”

Daniel Cunin: “Los van de fouten, zo'n passage illustreert de kloof tussen de twee landen, die voortduurt zolang politici het druk hebben met het bewaken van hun imago. In Frankrijk bestaat natuurlijk een groot probleem met de drugs-subcultuur onder jongeren. Dat wil men niet aanpakken omdat de meeste aanhangers van de RPR (de neo-gaullistische partij van president Chirac, red.) een meer tolerante politiek niet zouden begrijpen. Bovendien zou het Front National van Le Pen meteen vijf of acht procent erbij krijgen.

“Het verschil in mentaliteit blijkt iedere keer als Nederlanders wijndrinken in Frankrijk vergelijken met drugsgebruik. Zij begrijpen niet hoezeer ze er naast zitten. Een Fransman wordt er woedend van. Wijn is niet om snel dronken te worden. Wijn is een ritueel, een landschap, een hele cultuur. De consumptie van drugs is kaal, armoedig. Wijn proeven is echt een genoegen, een hartstocht, een onderdeel van het goede van het leven. Als je drugs vergelijkt met goede wijn, is het alsof je straatpraat vergelijkt met het proza van Couperus. Frankrijk is ondenkbaar zonder wijn, dat gaat terug tot de Romeinen.

“Nederlanders reduceren drugs altijd tot cijfers. Het is een materialistisch soort consumeren. Wijn kun je niet terugbrengen tot cijfers. Fransen zijn ook wel materialistisch, maar Nederlanders zijn dat op een harde manier, zonder omhulling - sans enveloppe. Fransen zijn verfijnder. Hoge ambtenaren die naar Nederland komen om zich te oriënteren over drugs, zijn in het begin geschokt. Alles is zo op de man af, men kijkt direct naar de consequenties, gebruik, kosten, percentages. Fransen bewaren meer afstand, zij verzachten de dingen graag en maken ze mooier.

“Fransen en Nederlanders praten in het drugsdebat vaak langs elkaar heen. Zij hebben volkomen andere opvattingen over genieten, en over het beleven van de realiteit. In Frankrijk weet iedereen dat de elite - de politiek, de advocatuur, artsen, rechters, journalisten -cocaïne en andere hard drugs gebruikt. Dat blijft onbesproken. De helft van de dienstplichtigen rookt joints. Dat zegt niemand hardop. Men blijft liever vijf keer zo veel betalen voor slechte drugs. Dat is de institutionele hypocrisie van Frankrijk. Zoals de Nederlandse politiek niet over alle consequenties van haar drugsbeleid wil praten. Een arts die zegt dat soft drugs niet zo onschuldig zijn, komt op de Nederlandse radio niet aan het woord. Dat is ook een vorm van hypocrisie.

“Dat gebrek aan 'envelopperen' zie je ook in de Nederlandse literatuur. Die zit vol met een subtiel soort humor. Men verbergt minder, is erg cynisch. De Avonden is ondenkbaar in de Franse literatuur. Nederlanders kijken naar de dingen in hun volle naaktheid, zij zien zichzelf met al hun fouten. Fransen zien zichzelf minder scherp. En dan die spellingshervorming, dat is voor Fransen helemaal abnormaal. Het is over en weer allemaal niet uit te leggen. Fransen weten niets van Nederland. Nederlanders weten meer van Frankrijk, maar begrijpen er nog niet veel van.

“Fransen zouden moeten leren zien dat Nederland een echt land is, met een eigen mentaliteit. Fransen moeten niet naar Nederland komen voor een exotisch avontuurtje, langs grachten en coffeeshops. Zij moeten begrijpen dat in Nederland een zelfde rijkdom te vinden is, niet in de wijn of de keuken, maar in de literatuur, de architectuur, een ander soort humor. Fransen moeten iets leren over eeuwen Reformatie. Dan begrijpen zij beter waarom een Nederlandse katholiek in niets lijkt op een Franse katholiek. Hollanders zijn in Europa de tegenpool van Frankrijk.

“Als Fransen iets willen doorgronden van Nederlanders dan moeten zij hun vragen naar hun jeugd. Het kinderleven in Nederland, zeker voor mensen die nu tussen de dertig en de vijftig zijn, was zo anders dan zij gewend zijn. Calvinistisch, weinig ruimte, een tuintje of een balkon. De mentaliteit van Nederland is het best te begrijpen via de geografie en de architectuur. Dat gebrek aan ruimte en dat handelsleven in de stad was eeuwenlang echt het tegendeel van Frankrijk, het grootste landbouwgebied en het meest katholieke land van Europa.

“Ik hou van die contrasten, ik ben hier gelukkig. Meer dan mijn Hollandse vrienden denk ik wel eens: ik heb die opening naar Frankrijk, ik heb andere horizonten. Ik zou willen dat zij voor bepaalde dingen in Frankrijk konden leven. Stel dat je je hele jeugd in Lelystad moet doorbrengen, dat is niet vrolijk, en misschien in een calvinistische omgeving, nog erger. Ik weet wel dat het in de Franse banlieue ook niet altijd pret is, maar Franse jeugd kan naar de bergen, het open veld. Ik heb eindeloos in de bossen gespeeld, ik had geen voor- of achtertuintje nodig. De poëzie gaat in Nederland vaak over dat ontbreken van landschap. Dat is voor een Franse toerist net zo moeilijk te begrijpen als wanneer je een rugbyspeler vraagt schaatsen uit te leggen.

“Het verklaart een zeker gemis aan levensvreugde. Ik voel me bevoorrecht van beide te kunnen genieten. Amsterdam was erg mooi van de winter, vooral 's morgens vroeg, dat was een schouwspel dat je in Frankrijk niet ziet. Maar overigens zorgt het gebrek aan land voor een soort alom tegenwoordig pessimisme.

“Dat zijn allemaal dingen die tot een verschillend wereldbeeld leiden. Dat moet je van elkaar accepteren. Mijn goede Nederlandse vrienden en ik delen geen enkele mening. Dat geeft niet. Ik ben niet naar Amsterdam gekomen omdat ik genoeg had van Frankrijk of hunkerde naar 'tolerantie'. Nederland is niet toleranter dan andere landen. In Amsterdam zijn de contrasten alleen groter. Dat trok mij aan.”

Een bleek zonnetje beschijnt de Comédie Française in Parijs. De schrijver F. Springer woont er dezer dagen om de hoek. Hij is zes weken gastdocent aan de Sorbonne; deze week verblijdde hij de studenten neerlandistiek aan de universiteit van Straatsburg met zijn onderhoudende aanwezigheid. Ook als diplomaat-in-ruste volgt hij met belangstelling het drama dat is opgelaaid tussen Parijs en Den Haag.

Op beide universiteiten heeft hij terwille van de lezers een steekproefje gehouden naar opvattingen over Nederland. Eerste reactie: drugs, tolerantie, tulpen, ver weg, exotischer dan Engeland. “Voor de gemiddelde Fransman komt het beeld niet overeen met dat van de regering.” Voor de meer geletterde Fransman zijn de sleutelwoorden: zeventiende-eeuwse schilders, kooplui, tolerant, open voor vreemdelingen.

“Als minister Jorritsma had gezegd dat er te veel Turken in Turkije wonen, dan had het Binnenhof vol gestaan. We mogen nog van geluk spreken. Het gekke is dat er in deze wereld vol communicatie te weinig communicatie is. Als Chirac en Kok beter met elkaar hadden gepraat, was dit toch niet zo uit de hand gelopen?”

Overigens is de schrijver van mening dat een veel ruimere culturele export Nederland goed zou doen. Zeker naar landen als Frankrijk. “Het Nederlands Dans Theater trok deze week avond aan avond volle zalen in Straatsburg. Dat is prachtig.” Pas als men aanhoudend merkt dat Nederland dichters, dansers, dirigenten, orkesten, schrijvers en andere kunstenaars voortbrengt, krijgt het land enige gestalte in het buitenland. “Als je dan voor je eigen opvattingen opkomt, weten ze al dat je een echt land bent.”

Patrick Duval (31) weet beter dan de meeste Fransen dat Nederland bestaat. Hij doet als historicus sinds twee jaar onderzoek aan de Erasmus Universiteit naar het ontstaan van het nationaal gevoel in het Europa van de eerste helft van de zestiende eeuw, de tijd van Erasmus. Voor Duval biedt het eind van de twintigste eeuw rijk vergelijkingsmateriaal, zeker kijkend naar Nederland en Frankrijk.

“In beide landen zie je een renaissance van het nationale idee. Ook in Nederland bestaat een sterke behoefte de nationale identiteit opnieuw te definiëren. Daarbij is het gebruikelijk een beetje afstand te nemen van de buren. Nederland heeft van oudsher Duitsland gehad. Dat is nog steeds heel bruikbaar om zichzelf te definiëren. Frankrijk is er sinds de hervatting van de kernproeven en de affaire-Greenpeace bij gekomen. Nederlanders kiezen graag een moreel superieur standpunt. Ik heb anti-kernproef demonstraties in Amsterdam en Rotterdam meegemaakt waar men echt alles geloofde wat er over 'de Fransen' werd gezegd.

“De Frans-Nederlandse betrekkingen zijn nooit zo slecht geweest, vrees ik. De Franse regering probeert haar gezag, dat zij de laatste maanden was kwijtgeraakt, te hervinden. Zij gijzelt Nederland om de nationale eenheid opnieuw te smeden, zeggend: 'Nederland is gevaarlijk en dichtbij, maar wij beschermen uw kinderen!'. Het merkwaardige is dat de intellectuele elites in beide landen de stroom volgen. De media laten nauwelijks deskundigen aan het woord die matigende opvattingen hebben. Men lijkt er vooral op uit het imago van de ander te vernietigen.

“Viereneenhalve eeuw geleden was het niet anders. De zeer Europese politiek van de regering deed in de eerste helft van de zestiende eeuw ook het nationaal besef groeien. De clichés over Frankrijk zijn in Nederland nog steeds dezelfde. Eramus verweet Frankrijk toen al arrogantie, en Frankrijk voelde zich toen al aangevallen op zijn nationale identiteit.

“Ik vrees dat er nieuwe problemen zullen komen na de drugs. Ik hoop het niet, maar de huidige crisis maakt dat men zich afzet tegen anderen. Iemand als de politicus Philippe de Villiers valt vandaag de abortuswetgeving aan. Morgen kan de verzorgingsstaat aan de beurt komen, of de zeden in Nederland, prostitutie en pornografie. Ik ben bang dat Europa een smoes gaat worden voor het herleven van allerlei soorten nationalisme, dat is een paradox die je in mijn deel van de zestiende eeuw ook al zag.

“Het is niet typisch Frans, dat hameren op morele aambeelden, dat hebben alle volkeren gedaan. Als je de bijbel herleest zie je dezelfde morele criteria over het eigen volk en de nationale identiteit. Bij het bevredigen van die behoefte om zichzelf te herdefiniëren heeft men geen belangstelling voor feiten. Men hanteert karikaturen. Ik word er op straat in Nederland op aangesproken, alsof alle Fransen monsters zijn. Het wij-gevoel in Nederland heeft dat kennelijk nodig op het ogenblik.”

Christophe de Voogd, als historicus verbonden aan het Europees Studiecentrum van de 'Science Po': “De Nederlandse houding wordt op het ogenblik gekenmerkt door 'de gevoeligheid van een kleine natie met een groot verleden', in de woorden van de historicus Brands. Frankrijks drugsoffensief mikt niet op Nederland als zodanig, maar op het imago van Nederland als vector van de globalisering, waar Frankrijk bang voor is. Nederland als spil van de onbeheersbare globalisering. Door zo fel afhoudend te reageren op het terechte deel van de kritiek laadt Nederland bovendien weer de verdenking op zich van cynisch commercialisme. Van oudsher was Nederland bereid de moraal even in de wacht te zetten als er een commercieel belang in het geding is. In Frankrijk domineert niet de moraal, maar de politiek, de macht. Als we commerciëler waren, was Frankrijk wel rijker.

“Frankrijk én Nederland zijn gidsland. Zij willen allebei universele waarheden uitdragen. Maar maak je geen illusies: in Frankrijk zou het Nederlandse drugsbeleid catastrofale gevolgen hebben. De Franse samenleving is er veel slechter aan toe dan de Nederlandse. De 'fracture sociale', de sociale tweedeling waar Chirac campagne op voerde, is een realiteit. Nederland hoeft zijn politiek niet te veranderen om voor dat Franse probleem op te komen, maar om eindelijk de consequenties te trekken uit zijn eigen beleid.

“Overigens komen we er niet uit als de politici, met het oog op hun binnenlandse politieke markt, zich blijven afzetten tegen historisch vertekende imago's. Ik denk dat een oplossing zou kunnen komen uit het benoemen van twee bemiddelaars, bij voorkeur uit universitair milieu. Om op een ander moment, in een rustiger klimaat, de voor- en nadelen van beide gevolgde methodes in kaart te brengen. Alleen dan komen we weg uit een conjunctureel conflict met stevige wortels in de bestaande bodem van wantrouwen.”